L.  de Winter - La place de la Bastille

De Bezige Bij, Amsterdam (1981)

Titelverklaring:

Op de Place de la Bastille vallen persoonlijke en algemene geschiedenis samen. In de Franse geschiedenis symboliseert het plein de hoop van de revolutionairen op een sociaal rechtvaardige toekomst. In de persoonlijke geschiedenis van de hoofdpersoon (Paul) symboliseren eerst Pauline (van wie hij op dit plein een foto maakt) en later Philip zijn hoop op een betere toekomst.

De auteur:

Leon de Winter wordt op 24 februari 1954 in ‘s Hertogenbosch geboren als zoon van orthodox-joodse ouders, maar hij groeit op in een niet-joodse omgeving. Hij bezoekt in zijn geboorteplaats het gymnasium en in Waalwijk het gereformeerde Willem van Oranje College. Een jaar voor hij zijn diploma haalt, wordt zijn novelle Revolutie bekroond met de ontmoetingsprijs van de Stichting Literaire Dagen (1973). In 1974 verhuist hij naar Amsterdam en gaat aan de Nederlandse Filmacademie studeren. Uit ongenoegen met het onderwijsniveau geeft hij met enkele anderen een zwartboek over de opleiding uit. Zijn debuut Over de leegte in de wereld verschijnt in 1976; het is een bundel met door Kafka geïnspireerde verhalen. In 1978 verlaat hij samen met Seegers en Van de Velde de academie zonder het diploma te hebben behaald. Een jaar daarop verschijnt de eerste speelfilm van het drietal: De verwording van Herman Dürer. In de volgende jaren maakt het trio enkele films voor de televisie, en in 1981 verschijnt de tweede speelfilm, De afstand.

Voor zijn romandebuut De (ver)wording van Herman Dürer, gebaseerd op het filmidee, krijgt De Winter de Reina Prinsen Geerligsprijs. Van 1978 tot 1982 is Leon de Winter als recensent verbonden aan Vrij Nederland; daarna is zijn medewerking aan dit blad, zowel als vanaf ’82 aan De Volkskrant, incidenteel. Naast La place de la Bastille is ook Zoeken naar Eileen W., beide verfilmd, een bekend werk van De Winter. Uit 1990 dateert Hoffmans honger, een televisieserie voor de VPRO, door hemzelf geregisseerd. In 1991 verschijnt Supertex, en zijn laatstverschenen roman tot op heden is De hemel van Hollywood uit 1997.

De angst voor de leegte vormt het centrale thema in het werk van De Winter. Wel hanteert hij het principe van de hoop. De zoektochten van de personages naar hun (meestal joodse) identiteit hebben tot doel het verleden te ordenen en te corrigeren, zodat er weer toekomst is.

Meest recente werk:

De verhalen (1993)

Serenade (1995)

Zionoco (1995)

De hemel van Hollywood (1997)

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Psychologische roman.

Samenvatting:

Paul de Wit, 37 jaar, leraar geschiedenis, is getrouwd met Mieke en heeft twee dochtertjes, Hanna en Mirjam. Paul en Mieke zijn uit elkaar gegroeid, en Paul heeft onvrede met zijn baan. Hij wil een boek schrijven over de vlucht van Lodewijk XVI naar Varennes. De vlucht, die in werkelijkheid mislukte, wil hij in zijn boek laten slagen. Dit hangt samen met zijn opvatting over geschiedenis, die volgens hem niet bestaat uit feitelijke zekerheden, maar uit toevallige factoren. Paul kan het boek echter niet afmaken, omdat hij de noodzaak van sommige cruciale gebeurtenissen niet begrijpt. Hij kan niet begrijpen waarom zijn ouders vermoord zijn - hij is oorlogswees. Zijn joodse ouders, die hij nooit gekend heeft, zijn tegen het einde van de oorlog vergast. Als Paul 23 jaar is, verneemt hij, dat hij een tweelingbroer, Philip, had, die waarschijnlijk ook omgekomen is. ‘Waarom leeft hij nog wel en Philip niet?’ Als er geen noodzaak is voor zijn overleven en voor Philips dood, dan is zijn bestaan slechts toeval. Dit is de fundamentele reden voor de onrust van Paul. Om die onrust weg te nemen, kijkt Paul vaak tot diep in de nacht tv.

 

Als Paul tijdens de kerstvakantie in Parijs is om materiaal voor zijn studie te verzamelen, ontmoet hij Pauline, een joodse zioniste. Ze beginnen een verhouding. Paul voelt zich tot haar aangetrokken, omdat ze eenzelfde achtergrond heeft als hij. Daardoor wordt zijn eenzame individualiteit gedeeltelijk opgeheven. Terug in Nederland blijkt hij echter niet gelouterd te zijn: de onrust blijft. Nieuwe hoop krijgt hij als hij de foto’s bekijkt, die hij op de Place de la Bastille van Pauline heeft gemaakt. Achter Pauline ziet hij een man, die sprekend op hem lijkt. Is het Philip?

In de zomervakantie gaat Paul weer naar Parijs. Niet voor studie, en ook niet zozeer vanwege Pauline, maar om Philip te zoeken. Zijn leven zou zinloos zijn als hij dit niet deed. Opnieuw een half jaar later, in de winter, is Paul in een taxi op weg naar een zekere Paul Mendes, die mogelijk Philip zou kunnen zijn. Als de taxichauffeur, als antwoord op zijn vraag, zegt, dat hij wel op Mendes lijkt, maar niet als tweelingbroers op elkaar lijken, besluit hij om te keren en de ontmoeting niet door te laten gaan. Hij begint in te zien, dat hij niet zozeer op zoek is naar Philip, maar naar zichzelf.

Tijd en tijdvolgorde:

De beschreven tijd beslaat ongeveer een jaar. Tot en met hoofdstuk 8 wordt de tijd tussen de kerstvakantie ‘79-’80  en de daaropvolgende zomervakantie verhaald. In flash-backs wordt er over de voorgaande jaren verteld. In de epiloog is het winter ‘80-’81. De vertelling is voor het grootste deel in de verleden tijd geschreven, behalve als Paul aan het vertellen is: “Nu, op deze plaats, moet ik over mijn broer vertellen”, (pag. 79). Het geheel is niet chronologisch verteld, wat met de visie van Paul op geschiedenis overeenstemt. Bovendien verhoogt dit de spanning in het boek.

Plaats/ruimte:

De belangrijkste plaatsen van handeling zijn Amsterdam en Parijs, verbonden door treinreizen.

Karakterbeschrijving en –ontwikkeling / onderlinge relaties:

Paul de Wit is de hoofdpersoon van wie we pas op pag. 55 de juiste voornaam te weten komen, omdat hij zich eerst Philip noemt. Dit is de naam van zijn tweelingbroer. Later lijkt het erop dat deze tweelingbroer Paul Mendes heet. Dat de namen door elkaar lopen, wijst erop, dat Paul niet zozeer zijn broer zoekt maar eerder naar zichzelf op zoek is. Paul is in zijn huwelijk, zijn baan en in het schrijven van zijn boek vastgelopen. Hij  probeert dit te doorbreken door overmatig tv te kijken en later op zoek naar Philip te gaan. Hij is een vlak karakter.

Mieke is zijn vrouw, op wie hij pas echt verliefd wordt, als zij hem gebruikt om haar conservatief-katholieke ouders te shockeren: op deze manier wordt hij ergens bij betrokken. Van Mieke wordt verteld, dat ze soms onzeker is, maar ook koelbloediger dan Paul.

Hanna en Mirjam zijn zijn twee dochtertjes. Paul projecteert zijn eigen gevoelens op Hanna, de oudste, die op die manier een soort voortzetting van Pauls verleden vormt. Hanna speelt, evenals Paul vroeger, viool. Hij vindt haar erg joods.

Alle personages in het boek zijn nogal schematisch weergegeven; zij dienen alleen als middel voor Paul om zich te kunnen identificeren.

Het meest identificeert hij zich met Pauline (let op de naam), een joodse zioniste, met dezelfde achtergrond als hij. Pauline is Française en studeert kunstgeschiedenis. Ze beginnen een verhouding.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

....

Thematiek:

Het thema is het zoeken naar een eigen identiteit. De hoofdpersoon kan zijn plaats in het heden alleen bepalen als hij het verleden kent.

Motto:

“L’histoire n’est qu’une fable convenue”, De Fontelle (1687 - 1757).

Dit heeft te maken met Pauls opvatting over geschiedenis. Enerzijds probeert hij grip te krijgen op de algemene geschiedenis (zijn boek), anderzijds is hij bezig aan een zoektocht naar zichzelf.

Taalgebruik:

De zinnen zijn vaak nogal zwaar beladen door de diepere betekenis, die ze verondersteld worden te hebben. Verder is er weinig dialoog en weinig beeldspraak. Het boek is voor het grootste deel in de verleden tijd geschreven.

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

Het is een ik-roman. De hoofdpersoon vertelt (auctoriale verteller).

Perspectief:

We beleven het gebeuren mee over de schouder van de vertellende ik-figuur (ik-perspectief). Het tijdsperspectief is ‘vision par derrière’: we gaan terug in de tijd.

Verhaalopbouw:

Het boek bestaat uit een proloog, acht genummerde hoofdstukken en een epiloog.

 

Eigen mening:

....