Willem Frederik Hermans - Het behouden huis

De bezige Bij, Amsterdam (1951)

Titelverklaring:

De ik-figuur verblijft enige tijd in een huis, dat in de oorlogsstrijd behouden is gebleven. Pas na de overname door de partisanen, wordt het huis vernield.

De auteur:

W.F. Hermans wordt op 1 september 1921 in Amsterdam geboren. Hij overleed te Utrecht. Hij studeerde fysische geografie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam en werd in 1958 aangesteld als lector aan de Rijksuniversiteit van Groningen. In 1973 neemt hij ontslag en vestigt zich als fulltime schrijver in Parijs. De laatste jaren van zijn leven woont hij in Brussel en sterft op 27 april 1995.

 

Hij debuteert met poëzie. Daarna volgen recensies, essays en verhalen. In 1947 verschijnt zijn romandebuut Conserve. Op zijn naam staat een zeer omvangrijk oeuvre in alle mogelijke genres. Sommige van zijn boeken zijn verfilmd en een aantal is vertaald in bijv. het Zweeds, Engels en Duits. Het grondthema in Hermans’ werk is zijn wereld- en literatuurbeschouwing, volgens welke de werkelijkheid een chaos is. Binnen deze chaos probeert de mens tevergeefs waarheid, identiteit, orde en zin te ontdekken. Vanwege de kritische manier waarop hij aan deze ideeën vorm geeft, groeit hij uit tot een controversiële figuur. Er wordt hem wegens anti-katholieke passages in de roman Ik heb altijd gelijk (1951) een proces aangedaan - dat hij overigens gewonnen heeft. Hermans’ perfectionisme met betrekking tot zijn werk leidt ertoe, dat er bij herdrukken vaak belangrijke correcties worden aangebracht.

 

Onder het pseudoniem Age Bijkaart publiceert hij vanaf ’74 opstellen in Het Parool, later gebundeld in Boze brieven van Bijkaart (1977).  In 1977 aanvaardt hij de Grote Prijs der Nederlandse Letteren, nadat hij eerder andere literaire prijzen, o.a. P.C. Hooftprijs, geweigerd heeft. Hermans’ werk wordt onder meer beïnvloed door Multatuli, Kafka, Bordewijk en L. Wittgenstein, van wie hij ook werken vertaalt. In 1993 schrijft hij het Boekenweekgeschenk In de mist van het schimmenrijk.

Een korte selectie uit zijn oeuvre:

Poëzie: Kussen door een rag van woorden (debuut), Overgebleven gedichten (1968);

Romans: De tranen der Acacia’s (1949), Nooit meer slapen (1966), Ruisend gruis (1995, postuum verschenen);

Novellen, verhalen: Het behouden huis (1952), De laatste roker (1991).

Ook schreef hij studies en essays, dramatische werken en wetenschappelijk werk.

Literaire stroming:

Existentialisme.

Genre:

Novelle.

Samenvatting:

De ik-figuur vecht in de oorlog aan de zijde van de partisanen. Hij heeft moeite met de taalverschillen, want het merendeel van de partisanen bestaat uit Oost-Europeanen. Soms verstaat hij zelfs de bevelen van de officieren niet. De ik-figuur praat met een Spanjaard over de oorlog. Hij vertelt hem dat hij al vier jaar van huis is en enkele jaren gevangen heeft gezeten. Soms kon hij ontsnappen, maar telkens werd hij weer opgepakt. Op zijn laatste vlucht is hij van Saksen naar het Oosten gelopen. Zodoende is hij bij het oostfront terechtgekomen. Het gesprek wordt abrupt afgebroken, als de tanks van de partisanen de Duitsers aanvallen. De ik-figuur komt aan bij een huis, waar zich een groep Duitsers verschanst hebben. Ze zien hem niet. Als ze het huis willen verlaten, schiet de ik-figuur ze neer. Eén Duitser ontkomt.

De ik-figuur loopt wat rond. De hele stad blijkt verlaten te zijn. De bewoners zijn voor het geweld gevlucht. Plotseling komt hij bij een groot huis aan. Hij herinnert zich zijn verblijf in gevangenissen en raakt diep onder de indruk van de schoonheid van het huis. Uit eerbied veegt hij bij binnenkomst zelfs zijn voeten in de vestibule. Hij doorloopt alle kamers in het huis, om te kijken of er nog iemand aanwezig is. Slechts één deur is afgesloten. Hij overweegt de deur te forceren, maar beseft dat het alleen maar tijdverspilling is. De ik-figuur draait de kranen in de badkamer open. Tot zijn verbazing komt er zelfs warm water uit. Hij trekt zijn kleren uit en laat het bad vollopen. Pas als in de verte een bom ontploft, besluit hij zich weer aan te kleden. Hij kan zich er echter niet toe zetten om zijn vuile kleding weer aan te trekken. In de slaapkamer ontdekt hij een klerenkast, die gevuld is met kostuums, overhemden en dassen. Als hij zich omgekleed heeft, gaat hij naar beneden om de soep, die nog op het fornuis staat, op te eten. Hij gaat op de sofa zitten en rookt een sigaret. Hij schrikt op als de deurbel gaat. Het is een Duitser die vraagt of er enkele soldaten in het huis ondergebracht kunnen worden. De ik-figuur geeft toestemming en verbergt snel zijn kleding en het geweer. De volgende ochtend ontdekt de ik-figuur dat de Duitsers de kelderkast opengebroken hebben. Hij – als ‘zoon’ des huizes – beklaagt zich hierover bij de kolonel. De kolonel verontschuldigt zich hiervoor en ’s avonds wordt het slot vervangen.

De week die daarop volgt, verloopt rustig. De gevechten hebben zich naar een verderop gelegen gebied verplaatst. De ik-figuur krijgt, als enige bewoner, toestemming om in de stad te blijven wonen. Hij gaat erop uit om de omgeving te bekijken. Op zijn weg vindt hij een kat, die hij naar zijn huis meeneemt. De ik-figuur besluit dat hij de rest van zijn leven in het huis wil blijven wonen. Na enige tijd heeft hij geen behoefte meer om het huis te verlaten. Hij struint wat rond in het huis en bekijkt de boeken in de bibliotheek. Hij ontdekt dat alle boeken over vissen gaan. Hij concludeert dat de eigenaar van het huis dus een vissenliefhebber is.

Op een dag betreedt een vreemde man het huis. Hij wil weten wie de ik-figuur is. De man blijkt de eigenaar van het huis te zijn. De ik-figuur wil echter het huis niet aan hem afstaan en schiet hem dood. Plotseling komt er een vrouw uit de badkamer. Ze is geschrokken van het schot en wil weten waar haar man is gebleven. De ik-figuur wurgt haar en legt haar in zijn slaapkamer. De vermoorde man wordt in de tuin achtergelaten. Als de ik-figuur weer naar boven loopt, komt er plotseling licht uit de afgesloten kamer. De ik-figuur opent voorzichtig de deur, die op een kier staat. Hij ziet een oude man op een trapje staan. Als de man niet op zijn vragen reageert, pakt de ik-figuur hem bij de hand. De man denkt dat de ik-figuur een Duitse officier is en begint te vertellen over zijn vissen. Hij zegt dat hij blij is dat de ik-figuur het cultuurgoed van het huis zo goed bewaard heeft. De ik-figuur begrijpt er niets van. De man móet de schoten en het gillen gehoord hebben. Hij sluit hem weer op in de kamer en bedenkt zich wat hij de Duitsers zal vertellen als ze de oude man ontdekken. Net als hij de dode vrouw naar beneden wil slepen, hoort hij de Duitsers weer terugkomen. Hij legt de vrouw weer op het bed en valt naast haar in slaap.

Hij wordt door geklop op de slaapkamerdeur gewekt. De kolonel meldt hem dat ze ingesloten zijn door bolsjewisten. Hij wil vluchten. De ik-figuur trekt daarna zijn partisanenuniform weer aan en neemt zijn wapens mee. De kolonel steekt zijn armen omhoog en vraagt of hij zich, voordat de ik-figuur hem doodschiet, eerst nog mag scheren. Hij krijgt geen toestemming. De ik-figuur wil zelf bepalen wat er nu gaat gebeuren. Op zijn weg naar beneden, loopt de ik-figuur eerst langs de kamer van de oude man. Hij probeert hem duidelijk te maken dat de Duitsers verslagen zijn en dat de man nooit meer ‘Heil Hitler’ mag zeggen. Hij begrijpt het niet. De ik-figuur schrijft zijn boodschap op een blaadje op en drukt het in de handen van de oude man. Hij verlaat het huis en sluit zich weer aan bij het leger van partisanen. Onderweg komt hij de Spanjaard weer tegen. De ik-figuur vertelt hem dat hij gevangen werd gehouden door Duitsers, maar heeft kunnen ontsnappen. Ook zegt hij dat hij een Duitse krijgsgevangene heeft. De Spanjaard wil weten of hij een vrouw kent. De ik-figuur beweert dat er een vrouw in zijn huis woont en neemt de Spanjaard mee naar het huis. De Spanjaard is teleurgesteld. Hij is niet in de Duitse kolonel geïnteresseerd, hij wil een vrouw! De partisanen, die de ik-figuur gevolgd zijn, vernielen het huis. Ze schieten de hertenkoppen aan de muren kapot, urineren in de bloemenvazen, snijden gezichten uit de schilderijen en trekken de pianosnaren kapot. Ze mishandelen de Duitse kolonel, die vastgebonden op de grond ligt. De ik-figuur wil naar boven om naar de oude man te kijken. De soldaten laten hem echter niet passeren.

Tegen de avond probeert de ik-figuur het nog een keer. De kamer is verlaten en de aquaria van de oude man zijn vernield. Hij gaat naar de slaapkamer. Het lijk van de vrouw is verdwenen. In de tuin treft hij het lijk van de eigenaar van het huis nog wel aan. De ik-figuur neemt hem zijn twee fototoestellen en het horloge af. Op het grasveld voor het huis, ontdekt de ik-figuur de oude man. De partisanen hebben hem aan de plataan opgehangen. Het briefje dat de ik-figuur voor hem schreef, hebben ze op zijn buik vastgespeld. De Duitse kolonel en de vrouw zijn aan een boom opgehangen. Voordat hij met het partisanenleger meegaat, kijkt de ik-figuur nog een laatste maal naar het huis. Hij beseft dat het huis al die tijd ‘komedie heeft gespeeld’ en nu pas laat zien wat het in werkelijkheid is geweest: ‘een hol, tochtig brok steen, inwendig vol afbraak en vuiligheid.’

Tijd en tijdvolgorde:

De gebeurtenissen spelen zich in 1944 af en vinden in chronologische volgorde plaats. Ze worden in de verleden tijd verteld. De vertelde tijd beslaat enkele maanden.

Plaats/ruimte:

Het verhaal begint aan het oostfront. De ik-figuur vecht daar in de oorlog aan de zijde van de partisanen. Later betrekt hij een groot en luxe huis, dat in een verlaten stad staat.

Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:

Ik-figuur:

De ik-figuur is een man, van wie de naam en leeftijd onbekend zijn. Hij heeft enkele jaren gevangen gezeten, maar is nu op de vlucht. Hij is al vier jaar van huis. De ik-figuur probeert aan de chaos te ontkomen. Hij gaat een huis bewonen dat verlaten lijkt. Hij ontdoet zich van zijn uniform en trekt andere kleren aan. Hij geeft toestemming aan een Duitse kolonel als deze hem verzoekt woonruimte aan het Duitse leger af te staan. Als de eigenaar van het huis terugkomt, beschouwt hij deze man als een indringer. Hij vermoordt hem en zijn vrouw. Als de stad belegerd wordt, probeert hij de oude man, die in de afgesloten kamer woont, te helpen. Na de partisaanse overname van de stad, trekt hij zijn uniform weer aan. Hij sluit zich weer bij het leger aan en keert daarmee terug naar de chaos. De ik-figuur is een rond karakter.

Duitse kolonel:

De Duitse kolonel is een vriendelijke man. Hij verontschuldigt zich voor het gedrag van zijn mannen. De ik-figuur spaart zijn leven, maar uiteindelijk wordt hij door de partisanen opgehangen. De Duitse kolonel is een vlak karakter.

De Spanjaard:

De ik-figuur ontmoet een Spanjaard. Ze praten over elkaars verleden. De Spanjaard verlangt naar een vrouw, want hij heeft al drie maanden geen vrouw meer gehad. Hij laat zich meenemen door de ik-figuur, die beweert dat in het huis nog een vrouw aanwezig is. De Spanjaard is een vlak karakter.

De oude man:

De ik-figuur ontdekt dat er in de afgesloten kamer een oude man woont. De man is 96 jaar en is een vissenliefhebber. Hij heeft enkele aquaria met zeldzame vissen in zijn kamer staan. De oude man is erg doof. Hij hoort de bombardementen niet en praat vol lof over het Duitse leger, dat het huis behouden heeft. De oude man wordt door de partisanen vermoord. Hij is een vlak karakter.

Onderlinge relaties:

De ik-figuur kan goed met een Spaanse soldaat opschieten. Hij kan het eveneens goed vinden met de Duitsers, die het huis betrekken. De ik-figuur voelt zich op de één of andere manier verbonden met de oude man (waarschijnlijk omdat hij zichzelf in hem herkent).

Geloofwaardigheid van het verhaal:

….

Thematiek:

Chaos:

De ik-figuur probeert aan de chaos te ontkomen, door in het ‘verlaten’ huis te gaan wonen. Hij ontdoet zich van zijn uniform en trekt andere kleren aan. Als hij de Duitsers in huis neemt, neemt hij eigenlijk ook de chaos in huis. De eigenaar van het huis en zijn vrouw worden door de ik-figuur vermoord, omdat hij bang is dat de chaos weer terugkeert. Na de overname van de stad door de partisanen, sluit de ik-figuur zich weer bij het leger aan. De chaos keert daarmee weer terug.

De oude man ontkomt aan de chaos, door zich in een kamer op te (laten) sluiten. Hij wil niets met de buitenwereld te maken hebben. Hij wijdt zich helemaal aan zijn vissen.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

Hermans hanteert eenvoudige Nederlandse taal. De tekst is goed te lezen. Door het gekozen perspectief, kan de lezer zich volledig in de hoofdfiguur inleven.

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

Ik-vertelsituatie.

Perspectief:

Ik-perspectief, waarbij de ik-figuur de gebeurtenissen vertelt.

Verhaalopbouw:

Het verhaal is niet opgedeeld in hoofdstukken. Er is slechts één witregel; op de een-na-laatste pagina, waar de ik-figuur de doden ontdekt.

Eigen mening:

…..