Renate Dorrestein – Buitenstaanders

Querido, Amsterdam (1983)

Titelverklaring:

De titel De Buitenstaanders slaat op de vraag: ‘Wie is normaal en wie is gek?’, die centraal staat in de roman. De bewoners van de psychiatrische inrichting zijn buitenstaanders in de maatschappij, terwijl de psychiater Wibbe juist de niet-patiënten beschouwt als ‘buitenstaanders’. Alle personages in de roman zijn op de één of andere manier buitenstaanders. Het gezin van Max en Lauri kent geen intimiteit. Psychiater Wibbe heeft afwijkende opvattingen over zijn beroepswetenschap. Ook voor het gezelschap van Agrippina is hij een buitenstaander (ze denken namelijk dat hij niet goed snik is). Max staat door zijn houding buiten het gezin en Sterre is de buitenstaander van de drieling. Op het moment dat het verhaal zich afspeelt, is Sterre overleden. Dus eigenlijk staat zij ook buiten het verhaal.

De auteur:

Renate Dorrestein wordt in 1954 geboren in Amsterdam. Als journaliste begint ze haar loopbaan bij het weekblad Panorama. Ze schrijft romans, columns en autobiografische verslagen. Haar eerste boek is de verhalenbundel Voorleesboek voor planten in 1976, maar bekendheid krijgt ze pas met haar eerste roman  De buitenstaanders in 1983. Haar romans zijn altijd als feministisch te herkennen en thema’s als het idee dat vrouwen pas voor vol worden aangezien als ze getrouwd zijn en een kind hebben, komen regelmatig aan bod. Mannen spelen slechts bijrollen in haar romans. De dood van haar zusje is ook een belangrijk thema. Hierover schrijft ze in de autobiografische roman Het perpetuum mobile van de liefde (1988). Nadat Dorrestein de ziekte ME (chronische vermoeidheid) heeft gekregen, is ook ziekte en het sociaal isolement waarin zieke mensen zich vaak bevinden een hoofdthema in haar oeuvre.

Andere werken: Haar kop eraf! Alice als ideale heldin voor hedendaagse feministes (1988); Het hemelse gerecht (1991); Verborgen gebreken (1996) en Een hart van steen (1998).

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur

Genre:

Psychologische roman.

Samenvatting:

Het verhaal begint met het ongeluk van het ogenschijnlijk gelukkige gezin van Max en Laurie. Max heeft een maîtresse, maar wil voor de buitenwereld en voor zijn carrière, bij zijn gezin blijven. Laurie weet dat allemaal en voelt zich erg vernederd. Nu gaan ze op vakantie met hun twee ‘jongetjes’. In de auto kibbelen ze wat, waardoor Max extra hard gaat rijden. Hij vliegt uit de bocht, in het water. Ze komen ongedeerd uit de auto. Max heeft een shock, dus Laurie moet hulp zoeken. Ze volgen een mongoloïde meisje en komen bij een huis. Daar woont Agrippina, die het gezin goed opvangt. Ze kalmeert Laurie, stuurt de jongens naar het meer om te roeien en brengt Max naar bed.

Lupo, de zoon van Agrippina, en Wibbe trekken de auto met een tractor uit het water. Laurie gaat met de twee mannen mee. De jongetjes brengen hun tijd door met het pesten van Mar. Intussen ontwaakt Max in de slaapkamer van de meisjes Ebbe en Biba, die half ontkleed zijn. Hij is gecharmeerd van Ebbe en begint haar te strelen. Op dat moment is Laurie terug en ziet wat er gebeurt. Ze rent naar haar auto en wil samen met haar jongetjes wegrijden. De accu blijkt echter leeg te zijn.

Langzaam wordt duidelijk waar de mensen in het huis vandaan komen. Zo is Agrippina op jonge leeftijd met een rijke oude man samengeweest. Ze krijgt een kind van hem, maar moet haar zoon afstaan. Als ze 34 is en de oude man 75, krijgt de man een hartaanval. Agrippina gaat dan de prostitutie in. Na een tijdje besluit ze haar, inmiddels volwassen, zoon op te zoeken. Deze zoon, Lupo, trouwt en krijgt een kind. Als zijn vrouw overlijdt en een arts hem vertelt dat zijn kindje zeer zwak is, verlost hij het uit zijn lijden. Hij wurgt het kind. Agrippina wil het lijkje uit het ziekenhuis meenemen. Zij wil zijn bloed drinken, omdat ze denkt dat ze dan jeugdig blijft. Ze worden echter onderschept en in een inrichting geplaatst.

Deze inrichting is een project van de psychiater Wibbe. Volgens hem leven psychiatrische patiënten het best in een natuurlijke omgeving. Ze weten dan ook niet dat Wibbe hun toezichthouder is, maar vinden hem juist de enige gek die daar rondloopt. In het huis woont een gemêleerd gezelschap. Zo zijn er Ebbe en Biba, die eigenlijk leden van een drieling zijn. Ze komen uit een gebroken gezin en zijn (afzonderlijk) opgegroeid in pleeggezinnen. Uiteindelijk komen ze in het huis terecht. Sterre, het derde zusje, was als enige al in de puberteit en voelde zich vies en eenzaam. Daarom heeft ze zelfmoord gepleegd. Mar is een mongoloïde meisje, dat te vondeling is gelegd.

Er wordt een viering gehouden voor Sterre, waarbij ook het gezin aanwezig is. Na de viering volgt de ceremonie waarbij de twee zusjes op het dak staan, van waar Sterre zich naar beneden heeft gestort. Ze hebben contact met haar. Wibbe denkt echter dat ze ook zelfmoord willen plegen en komt ze achterna. De zusjes voelen zich gestoord in hun ceremonie en gaan weer naar beneden. Ze sluiten Wibbe op zolder op. Ook Max is opgesloten in de kelder. Hij zit tussen de muizen, die Agrippina gebruikt voor haar dagelijkse dosis bloed. Wanneer hij vrijkomt, gaat hij samen met Ebbe en Biba op zoek naar de jongetjes.

 

Laurie is ook al het bos ingelopen om haar jongetjes te zoeken. Ze komt uiteindelijk aan bij een psychiatrische kliniek. Ze is helemaal van slag en wordt voor een patiënt aangezien. Ze krijgt een kalmeringsmiddel toegediend. Als duidelijk wordt, dat ze geen patiënt is, hoort ze hoe de vork in de dependance (het huis van Agrippina) in de steel zit. De arts piept Wibbe op en er volgt een discussie over Agrippina, die een hersentumor heeft. Als Wibbe vrijgelaten is, ontdekt hij dat Agrippina hallucineert en dat ze zo snel mogelijk onder behandeling gesteld moet worden. Hij brengt haar weg en haalt Laurie op.

De jongetjes zijn ook gevonden: ze waren bezig om Mar op een verschrikkelijke manier toe te takelen. De volgende ochtend gaat het gezin de auto ophalen om hun vakantie voort te zetten. Laurie is nog half bewusteloos van de slaapmiddelen. Ze vraagt zich af hoe ze verder wil leven. Ze kan aan de ene kant net doen of er in de afgelopen nacht niets gebeurd is. Daarmee zou ze eigenlijk haar hele leven tot één grote illusie verklaren. Aan de andere kant kan ze de echtheid van de gebeurtenissen aanvaarden. Dan zou ze moeten leven met de grote nachtmerrie die haar bestaan eigenlijk is. Van geen van beide mogelijkheden kan ze gelukkig worden.

Als de auto uit de garage komt, is niet te zien dat er iets mee gebeurd is…

Tijd en tijdvolgorde:

De vertelde tijd is een dag en een nacht. Het jaartal wordt niet genoemd.

Het verhaal wordt in de verleden tijd verteld en is chronologisch. Er wordt gebruikgemaakt van een aantal tijdvertragingen en waar tijd overgeslagen wordt, is een regel wit gebruikt.

Plaats /ruimte:

De plaats van handeling is het huis, dat gebruikt wordt als dependance van een psychiatrische inrichting. Ook in de omgeving van het huis spelen zich enkele gebeurtenissen af.

Karakterbeschrijving en –ontwikkeling:

Max:

Max is de echtgenoot van Laurie. Hij is erg carrièregericht en heeft weinig tijd voor zijn gezin. Daarbij komt, dat hij zijn vrouw verwaarloost en een maîtresse heeft. Voor de buitenwereld vindt hij het belangrijk dat ze zich als en gelukkig gezin voordoen. Hij is een rond karakter.

Laurie:

Laurie is een onzekere vrouw. Ze zorgt voor haar twee jongetjes, die heel ondeugend zijn. Haar opdracht in het leven is: nodig zijn in het leven van anderen. Om te kunnen leven met haar ongelukkige huwelijk, eet ze een pond kersenbonbons per dag. Zij is een rond karakter.

Agrippina:

Agrippina is een oude vrouw met een hersentumor. Daardoor heeft ze hallucinaties. Ze drinkt elke dag vers bloed, om haar jeugdigheid te bewaren. Dit bloed komt van de muizen die ze in de kelder houdt. Ze heeft een bovenmenselijke relatie met Evertje Polder, een stokoude hond. Ze heeft een zoon, Lupo, uit een relatie met een veel oudere man. Door deze man is ze misbruikt en vernederd. In het huis wordt ze gezien als de (groot) moeder. Ze is een rond karakter.

Lupo:

Lupo is de zoon van Agrippina. Hij woont in een caravan achter het huis. Hij is ‘dichter op verzoek’: mensen schrijven hem, met de vraag of hij een gedicht voor hun wil maken. Hij voelt zich de vader van de meisjes. Ook hij heeft een psychische afwijking. Hij heeft zijn eigen kind vermoord. Lupo is een rond karakter.

Ebbe en Biba:

Ebbe en Biba maken deel uit van een drieling. Hun zusje, Sterre, heeft zelfmoord gepleegd. Ze hebben echter nog steeds contact met haar. De twee meisjes bekvechten heel wat af, maar zijn zeer aan elkaar gehecht: ze vullen elkaar aan en komen voor elkaar op. Hun leeftijd is moeilijk te schatten, omdat ze zich dan weer heel volwassen, dan weer kinderlijk gedragen. Ze hebben de puberteit achter de rug, maar verder zijn er geen aanwijzingen over hun leeftijd. Ze zijn beiden ronde karakters.

Wibbe:

Wibbe wordt gezien als de klusjesman. Hij wordt door de andere bewoners niet voor vol aangezien. Dat betekent dat hij zijn rol goed speelt, hij is namelijk psychiater. Hij is de bedenker van de vorm waarin de patiënten leven. Hij vindt zelfs dat Agrippina geen medische behandeling voor haar hersentumor moet krijgen. Er moet een zo natuurlijk mogelijke leefsituatie gecreëerd worden. De bewoners leren zo een gezinsband op te bouwen. Als echter blijkt dat het echt ernstig met Agrippina gesteld is, besluit hij haar naar de kliniek te brengen. Hij is een rond karakter. 

Marrie:

Marrie, of Mar, is een mongoloïde meisje. Toen ze klein was, is ze te vondeling gelegd. De andere bewoners hebben haar gevonden.  Ze wilden een experiment met haar doen: alleen Agrippina mocht weten welk geslacht het kind had. Verder zou het ‘onzijdig’ moeten opgroeien. Haar verzorgers ontdekten echter dat ze achter was in haar ontwikkeling, ze had meer begeleiding nodig. Van toen af aan werd ze gewoon als een meisje behandeld. Ze is erg vriendelijk, ook als de jongetjes haar afbeulen. Marrie is een vlak karakter.

Onderlinge relaties:

  

De bewoners van het huis zijn in feite bij elkaar gezet, zonder dat ze elkaar kenden. Ze zijn in de loop van de tijd naar elkaar toegegroeid. Ze zorgen voor elkaar. Wibbe is de toezichthouder op het geheel, maar niemand van de bewoners weet dat. Max, Laurie en hun jongetjes zijn toevallige bezoekers. Zij zijn ‘normaal’, maar worden door de bewoners juist als ‘gestoord’ gezien.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

……

Thematiek:

Er zijn twee verschillende niveaus aan te wijzen in het verhaal. Ten eerste is er het concrete niveau, het werkelijk bestaande. Het thema hiervan is de confrontatie tussen ‘normale’ mensen en ‘gekken’, waarbij de vraag is, wat eigenlijk ‘normaal’ is. Het gevolg hiervan is een verstoring van het dagelijkse leven van beide partijen.

Ten tweede is er het abstracte niveau, dat is losgemaakt van de werkelijkheid. Het thema hiervan is de vraag: ‘wat is de werkelijkheid?’. Elk personage in het boek heeft zijn eigen idee over  de werkelijkheid. Een motief dat hier goed bij aansluit, is dat van het sprookje. Verder zijn er de motieven van ‘het verschrikkelijke’, ‘de horror’, en ‘de liefde’.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

Het taalgebruik is vlot. Er worden af en toe zinnen gebruikt, die niet goed Nederlands zijn. Deze zinnen worden in de spreektaal echter wel zo gebruikt, waardoor het boek goed te lezen is.

 

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

De buitenstaanders: auctoriale vertelinstantie. De verteller geeft commentaar bij de gebeurtenissen. Hij weet meer dan de personages en meer dan de lezer.

Perspectief:

Hij-perspectief.

Verhaalopbouw:

De roman is verdeeld in 4 genummerde hoofdstukken. Deze zijn opgebouwd uit grotere en kleinere scènes, die elk hun eigen verhaaltje vertellen.

Eigen mening:

……