W.F. Hermans - De donkere kamer van Damocles

G.A. van Oorschot, Amsterdam (1958)

Titelverklaring:

De titel De donkere kamer van Damocles is afgeleid van de uitdrukking ‘Het zwaard van Damocles’ en duidt op een voortdurende dreiging. De dreiging is in dit geval niet afkomstig van een zwaard maar van een - mislukte - foto, die de onschuld van de hoofdpersoon had moeten bewijzen. Vandaar ‘donkere kamer’: deze ‘donkere kamer’ verwijst, behalve naar de ruimte waar foto’s worden ontwikkeld, ook naar de cellen, waarin de hoofdpersoon verblijft.

De auteur:

W.F. Hermans wordt op 1 september 1921 in Amsterdam geboren te Utrecht. Hij studeert fysische geografie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam en wordt in 1958 aangesteld als lector aan de Rijksuniversiteit van Groningen. In 1973 neemt hij ontslag en vestigt zich als fulltime schrijver in Parijs. De laatste jaren van zijn leven woont hij in Brussel en sterft op 27 april 1995.

 

Hij debuteert met poëzie. Daarna volgen recensies, essays en verhalen. In 1947 verschijnt zijn romandebuut Conserve. Op zijn naam staat een zeer omvangrijk oeuvre in alle mogelijke genres. Sommige van zijn boeken zijn verfilmd en een aantal is vertaald in bijv. het Zweeds, Engels en Duits. Het grondthema in Hermans’ werk is zijn wereld- en literatuurbeschouwing, volgens welke de werkelijkheid een chaos is. Binnen deze chaos probeert de mens tevergeefs waarheid, identiteit, orde en zin te ontdekken. Vanwege de kritische manier waarop hij aan deze ideeën vorm geeft, groeit hij uit tot een controversiële figuur. Er wordt hem wegens anti-katholieke passages in de roman Ik heb altijd gelijk (1951) een proces aangedaan - dat hij overigens gewonnen heeft. Hermans’ perfectionisme met betrekking tot zijn werk leidt ertoe, dat er bij herdrukken vaak belangrijke correcties worden aangebracht.

 

Onder het pseudoniem Age Bijkaart publiceert hij vanaf ’74 opstellen in Het Parool, later gebundeld in Boze brieven van Bijkaart (1977).  In 1977 aanvaardt hij de Grote Prijs der Nederlandse Letteren, nadat hij eerder andere literaire prijzen, o.a. P.C. Hooftprijs, geweigerd heeft. Hermans’ werk wordt onder meer beïnvloed door Multatuli, Kafka, Bordewijk en L. Wittgenstein, van wie hij ook werken vertaalt. In 1993 schrijft hij het Boekenweekgeschenk In de mist van het schimmenrijk.

Een korte selectie uit zijn oeuvre:

Poëzie: Kussen door een rag van woorden (debuut), Overgebleven gedichten (1968);

Romans: De tranen der Acacia’s (1949), Nooit meer slapen (1966), Ruisend gruis (1995, postuum verschenen);

Novellen, verhalen: Het behouden huis (1952), De laatste roker (1991).

Ook schreef hij studies en essays, dramatische werken en wetenschappelijk werk.

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Psychologische oorlogsroman.

Samenvatting:

Henri Osewoudt gaat op 12-jarige leeftijd naar zijn oom Bart Nauta in Amsterdam. Dit doet hij nadat zijn moeder in een vlaag van waanzin zijn vader, die in Voorschoten een sigarenwinkel had, vermoord heeft. Hij volgt een middelbare-schoolopleiding, maar heeft met niemand contact, behalve met zijn nicht Ria, die 7 jaar ouder is. Beiden zijn lelijk. Henri heeft bolle wangen, wit zijdeachtig kortgeknipt haar, geen baardgroei, en, vanwege de judosport vergroeide voeten: hij ziet eruit als een rechtopstaande pad. Bovendien heeft hij een te hoge stem. Ria’s haar heeft de kleur van pakpapier en ze heeft een zeer spitse onderkaak en te lange tanden. Op 18-jarige leeftijd trouwen ze. Henri zet de zaak van zijn vader voort. Zijn moeder woont bij hen in, en Moorlag, die staatsexamen wil doen, heeft ook een kamer bij hen.

Henri wordt afgekeurd voor militaire dienst, omdat hij een halve centimeter te klein is. Wel is hij bij de Burgerwacht en bij het uitbreken van de oorlog krijgt hij de opdracht bij het postkantoor op wacht te staan. Hij komt in contact met een luitenant van de landmacht, die zich Dorbeck noemt. Deze Dorbeck lijkt als twee druppels water op Henri, met dat verschil, dat hij het ‘geslaagde exemplaar’ is, en de eigenschappen bezit, die Henri graag had willen hebben. Van Dorbeck krijgt Henri een filmpje, dat ontwikkeld moet worden. Na de capitulatie geeft Henri D. een kostuum te leen, en begraaft hij D’s uniform in zijn tuin. D. brengt later het kostuum terug en geeft Henri nog enkele films. Deze moeten ontwikkeld worden en dan naar E.Jagtman, Legmeerplein 25-111 in A’dam-West worden opgestuurd. Als de films zijn ontwikkeld, staan er alleen zwarte vlekken op, zodat Henri ze niet durft op te sturen. In plaats daarvan koopt hij een Leica en maakt zelf foto’s van militaire objecten.

Via opdrachten van D. raakt Henri bij het verzet betrokken. Hij moet bijv. samen met ene Zewuster in de Kleine Houtstraat in Haarlem twee mannen neerschieten. Daarbij wordt hij gevolgd door de zoon van de drogist in Voorschoten, en verraden. Als Henri het filmpje ontwikkelt, dat D. hem in de meidagen van ’40 gaf, staat op één van de foto’s D. met twee vriendinnetjes voor het huis in de Kl. Houtstraat. De hele familie Jagtman komt om het leven als een brandend vliegtuig op hun huis neerstort.

Henri krijgt dan in ’44, nadat hij drie jaar niets van D. heeft gehoord, een brief met het verzoek de foto’s te zenden naar Postbus 234 in Den Haag. Hij gaat kijken wie de brief ophaalt: het blijkt een heilsoldate te zijn. Enkele dagen later wordt hij opgebeld door ene Elly Spenkelbach Meijer. Zij zegt dat ze uit Engeland komt en toont hem later een van de foto’s, die hij aan D. heeft gestuurd. Hij brengt haar dan naar oom Bart, maar als hij in Voorschoten terugkomt, hoort hij van Moorlag, dat de Duitsers hem hebben opgewacht en zijn moeder en Ria opgepakt zijn. In Leiden krijgt hij een nieuw persoonsbewijs dat op naam van Filip van Druten staat.

Hij wordt verliefd op het meisje Marianne Sondaar (de ondergedoken joodse studente Mirjam Zettenbaum), dat zijn haren zwart verft. Zelf duikt hij onder aan de Zoeterwoudse singel, en gaat foto’s ontwikkelen voor Labare. Hij beseft hoezeer hij veranderd is, en vindt, dat D. ‘een ander mens’ van hem heeft gemaakt. Hij ontmoet Marianne opnieuw, die voor hem de valse papieren naar Elly wil brengen. Zij blijkt echter al verdwenen.

 

Hij krijgt een nieuwe opdracht van D.: hij moet in de stationswachtkamer van Amersfoort een vrouw in leidsteruniform van de Nat. Jeugdstorm ontmoeten. Samen gaan ze naar Lunteren om de Gestapoman Lagendaal uit de weg te ruimen. De vrouw wordt later in de trein aangehouden; Henri wordt gearresteerd als hij met Marianne in de bioscoop zit en op het doek een oproep tot zijn aanhouding verschijnt. Hij wordt gemarteld, opgenomen in een ziekenhuis, en weer bevrijd. Als hij bij Labare Marianne opnieuw ontmoet, toont hij haar zijn gevoelens over D. en zichzelf: “Ik heb nooit geweten, dat ik het mislukte exemplaar was tot ik D. ontmoette.” Hij vindt dat hij alleen bestaansrecht kan krijgen, als hij D’s opdrachten uitvoert.

‘s Nachts wordt hij weer gearresteerd en later door Ebernuss bevrijd. Deze is op zoek naar Henri’s dubbelganger D.. In een clandestiene sociëteit voor ondergrondse helden, denkt Henri D. te herkennen. Hij krijgt gif om Ebernuss te vermoorden, en daarna gaan ze er samen in Ebernuss’ auto vandoor. In een leegstaand huis maakt Henri met de Leica van Ebernuss voor de spiegel een foto van D. en zichzelf. D. vertelt hem, dat Ria samenwoont met de verrader, de zoon van de drogist in Voorschoten. Henri krijgt een verpleegstersuniform om Marianne, die zwanger is, in de kraamkliniek te kunnen bezoeken. Als hij daar aankomt, krijgt hij het lijkje van zijn kind te zien, en loopt huilend weg. Hij vermoordt eerst Ria, daarna de Duitser, die hem een lift had gegeven, en vraagt dan een pastoor om hulp.

Met hulp van een illegale arts komt hij de grens tussen het bezette en het door de geallieerden bevrijde gebied over naar Breda. Hij wordt naar Engeland gebracht en verhoord. Hij gaat dan weer naar Nederland, maar wordt ook daar niet vrijgelaten. Er wordt namelijk beweerd, dat in de Duitse stukken staat, dat hij een handlanger van de Duitsers is. Er is niemand die het tegendeel kan bewijzen. Dorbeck is onvindbaar, Jagtman en Moorlag zijn dood, Mirjam is in Israël. Als Henri het filmpje ontwikkelt, waarop hij samen met D. op de foto zou staan, blijkt deze foto mislukt. Henri rent naar buiten en wordt neergeschoten.

Tijd en tijdvolgorde:

Het geheel is chronologisch verteld. Men kan een onderverdeling maken tussen de inleiding, die over Henri Osewoudt in de jaren dertig (van ca. 12 tot 17 jaar) gaat en het eigenlijke verhaal, dat zich afspeelt in de Tweede Wereldoorlog. De vertelde tijd is zo’n twaalf jaar.

Plaats/ruimte:

Het geheel speelt zich hoofdzakelijk in Nederland af, in de steden Den Haag, Voorschoten en Amsterdam. Verder in de plaatsen Leiden, Amersfoort, Utrecht en Breda en een korte tijd in Engeland.

Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:

Henri Osewoudt:

Henri Osewoudt (alias Filip van Druten, alias Melgers) is een man met een lelijk uiterlijk. Hij komt niet in aanmerking voor de militaire dienst, omdat hij een halve centimeter te klein is. Hij is erg gesloten en onzeker. Hij vindt zichzelf het mislukte exemplaar t.o.v. zijn dubbelganger Dorbeck. Hij probeert zich een bestaansrecht te verschaffen door blindelings de opdrachten van het ‘geslaagde exemplaar’ uit te voeren, die naar zijn zeggen ‘een ander mens’ van hem heeft gemaakt. Hij is een vlak karakter.

Dorbeck:

Dorbeck is de dubbelganger van Henri, zijn geslaagde tegenpool met wel degelijk een mannelijk uiterlijk. Veel meer dan dit komen we ook niet te weten, en hij blijft daarom een vlak karakter.

Ria:

Ook Ria is een vlak karakter: behalve dat ook zij lelijk is, weten we van haar, dat ze opportunistisch is en met de verrader van Henri gaat samenwonen.

Marianne Sondaar (Mirjam Zettenbaum):

Hoewel ze iets vaker in het verhaal voorkomt, omdat ze een relatie met Henri begint en van hem in verwachting raakt, is er over haar karakter redelijk weinig bekend. Wel toont ze moed door haar bereidheid het valse identiteitsbewijs naar Elly te brengen. Zij is een vlak karakter.

Onderlinge relaties:

Mevrouw Osewoudt:

Moeder van Henri.

Bart Nauta en zijn vrouw:

Henri’s oom en tante in Amsterdam.

Ria:

De dochter van oom Bart, en de latere vrouw van Henri.

Dorbeck:

Luitenant van de landmacht; Henri’s dubbelganger, wiens opdrachten hij uitvoert.

Onduidelijk blijft of D. werkelijk bestaat of alleen in Henri’s fantasie.

E.  Jagtman:

Eveneens officier bij de landmacht. Henri moet hem ontwikkelde filmpjes toezenden, maar hij komt om.

Moorlag:

Woont bij Henri en Ria in omdat hij staatsexamen wil afleggen.

Marianne Sondaar (Mirjam Zettenbaum):

Ondergedoken joodse, die Henri’s haren verft en later een relatie met hem aangaat.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

....

Thematiek:

Tegen de achtergrond van de oorlog en het verzet is ook in dit boek de onkenbaarheid van de werkelijkheid het thema. Er zijn motieven als chaos, toeval, het verkeerd beoordelen van mensen en gebeurtenissen, en het gemis aan identiteit entiteit in te vinden, waarbij het dubbelgangersmotief in dit verhaal een grote rol speelt.

Motto:

Geen. Wel is er een naschrift: “Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar niet ophangen als hij er niet is.

Men zou willen zeggen: ‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’

- Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.”

                                                                                       Ludwig Wittgenstein                                                                                     

Taalgebruik:

Duidelijk, met niet te lange zinnen. Over het algemeen is het verhaal boeiend geschreven, al wordt in enkele passages wat over een bepaalde gebeurtenis uitgeweid. Het verhaal is in de verleden tijd geschreven.

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

Personale vertelsituatie.

Perspectief:

Hij-perspectief.

Verhaalopbouw:

Het boek is ingedeeld in hoofdstukken zonder titel of nummer.

Eigen mening:

....