Boudewijn Büch - Het dolhuis

De Arbeiderspers, Amsterdam (1987)

Titelverklaring:

Het dolhuis staat voor het gekkenhuis waar Winkler Brockhaus enige tijd verblijft.

De auteur:

Boudewijn Maria Ignatius Büch wordt op 14 december 1948 geboren in geboren in Den Haag en groeit met zijn ouders en vijf broers op in Wassenaar. Op elfjarige leeftijd wordt de onhandelbare Boudewijn naar een psychiatrische inrichting in Brabant gestuurd. Hij ondervindt veel problemen van het slechte huwelijk van zijn ouders. Zijn vader heeft grote trauma’s overgehouden aan de oorlog. Als hij in 1960 weer thuiskomt, zijn zij gescheiden. Vader Büch pleegt na enkele mislukte pogingen uiteindelijk zelfmoord. Na een onafgeronde gymnasiumopleiding studeert Boudewijn Duitse en Nederlandse Letteren in Leiden. Hij schrijft poëzie, romans, reisverslagen en essays.

In 1976 debuteert hij met de gedichtenbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs. Zijn prozadebuut maakt hij in 1981 met De blauwe salon. Hij krijgt landelijke bekendheid met zijn reisverslagen. Daarnaast is hij een bekend criticus, schrijft hij columns en presenteert hij zijn eigen televisieprogramma. Bekende motieven in zijn werk zijn de vroege dood van zijn zoontje, homoseksualiteit en psychiatrie. Ook is hij een grote fan van Mick Jagger. Zijn werk De kleine blonde dood (1985) wordt in 1993 succesvol verfilmd, met Antonie Kamerling in de hoofdrol.

Ander werk van Büch is onder andere Dood kind (1982), Literaire omreizen: een idioticon (1983), Weerzien, een verhaal (1984), Blauw: een reisverhaal (1987), Brieven aan Mick Jagger (1988, in 1998 uitgegeven onder de titel Voorgoed verliefd) en De hel (1994).

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Psychologische roman; de hoofdfiguur Winkler Brockhaus wordt uitgebreid beschreven.

Samenvatting:

De gebeurtenissen worden niet in chronologische volgorde verteld. In deze samenvatting is dat wel het geval: de volgorde komt daarom niet overeen met het boek!

De negenjarig Winkler Brockhaus is een onbezorgde, ongecompliceerde jongen. Hij heeft een goede band met zijn ouders en broers. Hij houdt veel van zijn vader, maar deze relatie is zeer eigenaardig. Winklers moeder verwijt vader regelmatig dat hij verboden gevoelens koestert voor zijn zoon. Winkler gaat vaak met zijn vader vissen bij de Zonnehoekbeek. Op een dag  liggen ze samen nog na te genieten van het mooie weer. Vader drukt de ontklede Winkler tegen zich aan, maar schrikt. Hij twijfelt of hij er wel goed aan doet om zo met zijn zoon om te gaan. Winkler beseft dan nog niet dat de gevoelens van zijn vader voor hem niet gepast zijn. Hij houdt toch immers van zijn vader?

Een jaar later reist Winkler met mevrouw Sprong naar Brabant. Winklers moeder heeft gezegd dat hij naar een vakantiekolonie gaat. In werkelijkheid wordt hij opgenomen in Huize Kindervrede. Bij aankomst wordt hij opgevangen door zuster Makela, die hem ‘patiëntje Brockhaus’ noemt. Winkler protesteert tegen deze benaming en heeft daarmee zijn eerste oorvijg te pakken. Het verblijf in de inrichting wordt gekenmerkt door diverse lichamelijke en geestelijke straffen. De patiënten hebben een spreek- en leesverbod en ze moeten drie keer per dag in de kapel bidden. Winkler vindt niet dat hij God hoeft te bedanken: hij wil helemaal niet in dit gekkenhuis zijn! Regelmatig verzet Winkler zich tegen het strakke regime van de inrichting.

Op een dag moet hij voor straf een dubbele corvee uitvoeren. Samen met Tommie moet hij aardappels schoonmaken en ontpitten. De aardappels moeten vervolgens in pannen met kokend water gedaan worden. Tommie laat daarbij per ongeluk het mesje in de pan vallen. De kok dwingt hem het er weer uit te halen. Tommie bukt voorover en valt in de pan met kokend water. Hij is dood. Zuster Makela geeft Winkler de schuld. Hij had zijn kameraadje beter in de gaten moeten houden. Winkler reageert woest: “U heeft Tommie vermoord!”. Voor straf moet Winkler zich van zuster Francisca in het washok uitkleden. Tot de volgende ochtend moet hij naakt in de houding blijven staan. De jongens besluiten een club op te richten voor Tommie, die voor hen een soort geheime held is geworden. Winkler wordt voorzitter van de Heilige Tommie Club.

Het is winter. De verwarming in Huize Kindervrede wordt niet hoger gezet omdat dit - volgens de zusters - alleen maar kan leiden tot opstanden en zelfbevlekking. Winkler schrijft zijn vader een brief waarin hij zegt dat hij het niet leuk vindt in de inrichting en dat hij hoopt dat hij snel weer wordt opgehaald. De brief wordt verscheurd en moet worden herschreven. Slechte gedachten over het kinderhuis worden niet getolereerd. Ook dagdromen, iets wat Winkler vaak doet, is verboden. Gesprekken met de psychiaters leveren niets op. Zij willen van hem weten wat er precies gebeurde als hij met zijn vader ging vissen, waar zijn vader hem kuste en hoe hij zich daarbij voelde. Op den duur beseft Winkler dat hij beter niks kan zeggen. De psychiaters vinden Winkler bedorven en verdenken hem van zelfbevlekking. Winkler begrijpt het niet. Hij weet niet eens wat zelfbevlekking is.

Enkele dagen na zijn laatste behandeluur mag Winkler weer naar huis. De zusters zijn van mening dat de jongen een schande voor het gekkenhuis is en ze zijn blij dat ze hem kwijt zijn. Winkler krijgt geld mee voor de trein, zodat hij de reis kan betalen. Op het treinstation verbaast hij zich over de vriendelijkheid van het treinpersoneel en de lokettist. Dat is hij in het tehuis niet gewend geweest! Onderweg koopt hij voor zijn vader een sigaar en voor zijn moeder een stuk chocolade. De thuiskomst is echter teleurstellend, want vader Brockhaus is op reis.

Na Winklers thuiskomt lijkt de relatie met zijn vader definitief verbroken te zijn. Winklers moeder wil niet dat ze in één ruimte samen zijn. Winkler begrijpt het niet. Hij moet zelfs alleen eten, terwijl zijn broers gewoon bij hun ouders aan tafel mogen zitten.

In de jaren die daarna volgen heeft Winkler moeite met het opbouwen van relaties. Hij is depressief, doet een zelfmoordpoging en bezoekt een heleboel therapeuten, dokters en analytici. Ze kunnen hem echter niet helpen. Op advies van zijn vriendin Evelien brengt Winkler weer een bezoek aan Brabant. Hij reageert geëmotioneerd als ze bij het gekkenhuis aankomen. Hij besluit op zoek te gaan naar het graf van Tommie. Op de begraafplaats wordt hij doorverwezen naar meneer Schreinemakers. Hij vertelt Winkler dat een jaar na het ongeval van Tommie, de keuken van de inrichting werd gesloten. Winkler informeert naar Tommies grafsteen. Hij ontdekt hem in een pas aangelegd voetpad achter het huis van meneer Schreinemakers.

Na afloop van een bijeenkomst van een geografisch dispuut, reist Winkler per trein terug naar Den Haag. Naast hem neemt een man plaats. Het is Joop van Barten, assistent-psychiater van Huize Kindervrede. Winkler herkent hem niet. Ze discussiëren over de aanpak van de psychiatrie in de jaren ’50. Enkele dagen later krijgt Winkler een brief van Joop. Hij stuurt een brief mee die Winkler tijdens zijn verblijf aan zijn vader heeft geschreven. De brief werd echter nooit verstuurd. Winkler is ontroerd als hij de brief weer leest.

Winkler verblijft voor zijn werk in Tunis. Op een dag krijgt hij het bericht dat zijn vader is overleden. Hij gaat onmiddellijk terug naar Nederland. Op de begrafenis ziet Winkler mevrouw Sprong weer. Ze praten over Winklers verblijf in Brabant. Mevrouw Sprong heeft al die tijd wel geweten dat Winkler het niet naar zijn zin had. Ze vertelt hem over de liefde tussen vader Brockhaus en hemzelf. Er werd in het dorp schande van gesproken. Iedereen wist wat vader Brockhaus deed.

Het gesprek met mevrouw Sprong blijft Winkler bezighouden. Hij moet en zal weten waarom hij naar Huize Kindervrede werd gestuurd. Zijn moeder vindt dat hij moet stoppen met dat gewroet in het verleden. Zijn verblijf in het kinderhuis had niks met zijn vader te maken. Winkler was gewoon een nerveuze en onhandelbare jongen. Winkler kan de kwestie toch niet van zich afzetten. Hij brengt opnieuw een bezoek aan mevrouw Sprong. Ze is inmiddels al 88 jaar en begint een beetje zwak te worden. Ze vertelt over de tijd dat ze bij Winklers familie kwam wonen. Ze had jaren vóór het huwelijk van vader Brockhaus al een verhouding met hem. Nadat hij met Winklers moeder was getrouwd, kwam mevrouw Sprong bij hen inwonen, als een soort huishoudster. Ze vertelt dat vader Brockhaus alleen maar gelukkig kon zijn door een ander pijn te doen. Winkler concludeert dat zijn vader dan wel een sadist moet zijn geweest.

Winkler brengt een bezoek aan zijn moeder en vertelt haar dat hij met mevrouw Sprong gesproken heeft. Winkler wil weten waarom zijn moeder nooit van vader gescheiden is. Ze onthult eindelijk de waarheid. Op 15-jarige leeftijd was moeder Brockhaus een hoer. Vader haalde haar uit de prostitutie. Hij bleek echter een ziekelijke seksuele behoefte te hebben. Het maakte niet uit met wie: kleine jongens, oude vrouwen… Vader dreigde echter bij een scheiding over moeders verleden te gaan praten.

Tijd en tijdvolgorde:

Het dolhuis speelt zich af in de jaren ’50. De jeugdervaringen van de auteur, waarbij hij zelf ook wordt opgenomen in een inrichting, worden weerspiegeld in Winkler. Het verhaal wordt vanuit twee verschillende oogpunten behandeld:

·        het kind-oogpunt (chronologisch)

·        het volwassenen-oogpunt (niet-chronologisch)

Plaats/ruimte:

De belevenissen van Winkler spelen zich hoofdzakelijk af in de slaapzaal van Huize Kindervrede. Het gekkenhuis is gevestigd in Brabant. Daarnaast spelen de bezoekjes van Winkler en zijn vader aan de Zonnehoekbeek (Zuid-Holland) een grote rol.

Karakterbeschrijving en –ontwikkeling:

Winkler Brockhaus:

Winkler is vóór zijn opname een rustige, onbezorgde jongen. Hij begrijpt niet waarom hij naar Huize Kindervrede moet. Als hij terugkomt is het contact met zijn vader voorgoed verstoord. Winkler blijft informeren naar de reden van zijn verblijf in Brabant en uiteindelijk verneemt hij de waarheid. Winkler is een rond karakter.

Vader Brockhaus:

Vader Brockhaus is een eigenaardige man. Hij koestert verboden gevoelens voor zijn zoon Winkler en heeft een verhouding met de veel oudere mevrouw Sprong. Hij kan pas gelukkig zijn als andere mensen ongelukkig zijn. Hij vindt het leuk om andere mensen te kwetsen. Vader Brockhaus is een rond karakter.

Moeder Brockhaus:

Moeder Brockhaus is een ongelukkige vrouw. Ze is ongelukkig getrouwd, maar wil niet van haar man scheiden. Ze heeft op jeugdige leeftijd in de prostitutie gewerkt en haar huidige man heeft haar uit ‘het leven’ gehaald. Ze weet van zijn seksuele escapades met mevrouw Sprong en Winkler. Pas na lang aandringen durft ze de waarheid over vader Brockhaus te vertellen. Moeder Brockhaus is een rond karakter.

Mevrouw Sprong:

Mevrouw Sprong komt als huishoudster inwonen bij de familie Brockhaus. Al snel blijkt dat ze al een jarenlange verhouding heeft met vader Brockhaus. Ze weet waarom Winkler uit huis geplaatst wordt en begeleidt hem naar Brabant. Later vertelt ze hem over haar verleden. Mevrouw Sprong is een rond karakter.

De vriendinnen en vrienden van Winkler zijn vlakke karakters. Ze worden niet uitvoerig beschreven en spelen een beperkte rol in het boek. Ook de ‘patiënten’, verpleegsters en psychiaters uit het gekkenhuis zijn vlakke karakters.

Onderlinge relaties:

Winkler is de zoon van Sigismund Brockhaus en Cornelia Salina. Hij heeft nog drie broers, genaamd Meyer, Brit en Laroux. Vader Brockhaus heeft een verhouding met mevrouw Sprong.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

….

Thematiek:

Hoofdthema:

De vader-zoonrelatie, die er de reden van is dat Winkler naar Huize Kindervrede moet. Daarnaast is het thema dood van groot belang in Het dolhuis. Winkler is getuige van Tommies dood en ook het overlijden van zijn vader maakt grote indruk op hem.

Motto:

Krankzinnigheid is eene ziekte, waarbij de werkzaamheid van geest en gemoed, gewoonlijk zonder koorts, zoodanig belemmerd is, dat de lijder, in meerdere of mindere mate beroofd van het vrije gebruik van rede, verstand en wil, verkeerd spreekt en verkeerd handelt.’

Geïllustreerde Encyclopaedie (…) onder hoofdredactie van A. Winkler Prins

(Rotterdam 1886, negende deel, p. 593)

Kind (Infans), das mensliche Individuum von seiner Geburt an bis zum Eintritt der geschlechtlichen Entwicklung.’

            Brockhaus’ Konversations-Lexikon (Berlin und Wien 1898, zehnter Band, S. 337)

‘Niets werd er voor hogere wijsheid gehouden dan het streven god te dienen. Daaraan moest, van de vroege ochtend tot de vroege avond, alles ondergeschikt worden gemaakt.’

            Anoniem (1981)

Taalgebruik:

In Het dolhuis schrijft Boudewijn Büch korte en moderne Nederlandse zinnen. Winklers emoties worden duidelijk beschreven, waardoor de lezer een goed beeld krijgt van zijn karakter.

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

Er is sprake van een auctoriale vertelinstantie.

Perspectief:

Hij-perspectief.

Verhaalopbouw:

Het boek is opgedeeld in twee delen. De ongenummerde hoofdstukken beschrijven afwisselend het verblijf van Winkler in het gekkenhuis en de volwassen Winkler. De hoofdstukken over Winklers jeugd zijn geschreven in chronologische volgorde en in de verleden tijd. De gebeurtenissen van de volwassen Winkler worden niet-chronologisch beschreven. Deel 1 bevat 23 hoofdstukken en deel 2 bevat 14 hoofdstukken, die gescheiden worden door een sterretje.

Opvallend is dat het eerste deel begint met de tekst ‘Winkler Brockhaus en de dag’ en het tweede deel eindigt met ‘Winkler Brockhaus en de nacht’.

Eigen mening:

….