Willem Elsschot – Het dwaallicht

Querido, Amsterdam (1947)

Titelverklaring:

De vrouw naar wie in de novelle gezocht wordt, Maria, is het dwaallicht. Niemand weet waar ze is. De hoofdfiguur en zijn vrienden zoeken naar haar, maar ze is als een soort fata morgana, een illusie.

De auteur:

Willem Elsschot is het pseudoniem van Alfons de Ridder . De Ridder wordt op 7 mei 1882 geboren in Antwerpen. Als hij zestien is, wordt hij van school gestuurd wegens baldadig gedrag. Hij heeft dan verscheidene baantjes als loopjongen. In 1900 richt hij met een aantal  medescholieren een tijdschrift op, Alvoorder. Een jaar later  wordt hij vader. In 1904 behaalt hij zijn diploma aan de Antwerpse Handelsschool en uiteindelijk krijgt hij een baan als chef-correspondent bij een bedrijf in Rotterdam. Ook werkt hij een tijd in Parijs. Na vier jaar keert hij, inmiddels getrouwd, terug naar België. In 1913 verschijnt zijn eerste roman, Villa des Roses. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog gaat hij, met vrouw en kinderen, bij zijn ouders in Antwerpen wonen. Tijdens de oorlog is hij secretaris van het Provinciaal oogstbureel en in deze periode worden nog twee kinderen geboren. Na de oorlog richt hij een reclamebureau op, met kantoren in Antwerpen en Brussel.

Voor zijn literaire bezigheden vindt hij inspiratie in zijn eigen ervaringen. Na de roman Lijmen (1924), die zich afspeelt in het zakenleven, blijft het lang stil rond Elsschot. Pas na aandringen van Jan Greshoff schrijft Elsschot de roman Kaas in 1933, die zeer succesvol blijkt. Hoofdrolspeler in zijn boeken is vaak Laarmans, een stakker die af en toe aan illusies toegeeft. Het is een bekrompen man die zich in zijn troosteloos bestaan schikt met een spottende glimlach. Ook zijn tegenpool, Boorman, komt vaak in Elsschots werken terug. Beide figuren zijn afsplitsingen van Elsschot zelf. In 1934 verschijnen Tsjip en Verzen van vroeger. Na onder andere De leeuwentemmer (1940) verschijnt het laatste boek van Elsschot in 1947: Het dwaallicht.  In 1947 ontvangt Elsschot de Staatsprijs voor verhalend proza, in 1951 de Constant Huygensprijs en in 1960 (postuum) de Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan. Op 31 mei 1960 overlijdt Elsschot, één dag later overlijdt zijn vrouw.

Literaire stroming:

Het dwaallicht kan worden gerekend tot het magisch realisme. Onder de realistische opervlakte gaat een fantastische, magische werkelijkheid schuil.

Genre:

Novelle.

Samenvatting:

Laarmans, de ik-figuur, is op een miezerige novemberavond van plan om naar huis te gaan. Dit is een uitzondering, want normaal gesproken gaat hij eerst nog in de kroeg zitten, in plaats van naar zijn vrouw en zes kinderen te gaan. Hij wil zijn leven beteren en koopt onderweg nog een krant. In de winkel ontmoet hij drie ‘zwartjes’ zoals hij ze noemt. Het blijken drie Afghanen te zijn, die hem vragen hoe ze de Kloostersraat 15 kunnen vinden. Dit adres staat op een stuk karton, met de naam ‘Maria van Dam’. Laarmans wijst ze de weg, in gebrekkig Engels. Als hij even later op de tram staat te wachten, ziet hij de drie Afghanen nog steeds zoeken. Hij denkt terug aan zijn tijd in Bombay, waar hij naar Fathma op zoek was. Hij kan het zich goed voorstellen hoe moeilijk het voor een vreemdeling is om de weg te vinden en besluit ze te helpen.

Als ze samen op weg naar Maria gaan, vraagt Laarmans aan de leider van de Afghanen, hij noemt hem Ali Khan, of de vrouw wel echt bestaat. Ali Khan vertelt hem dat zij de vrouw op het schip ontmoet hebben. Ze hadden haar alledrie een geschenk gegeven: zes doosjes sigaretten, een sjaaltje en een pot gember. Laarmans zegt dat ze voor Maria maar een bosje bloemen moeten kopen. Wanneer ze op het adres aankomen, blijkt hier geen Maria te wonen. Laarmans heeft de moed al opgegeven, maar de Afghanen vragen hem bij hen te blijven. De hemel is opgeklaard en volgens Ali brengen de sterren geluk. Laarmans gaat vervolgens naar de politie om het adres van Maria van Dam te vragen. De agent geeft hem twee adressen. Als hij weer buiten komt, blijkt alleen Ali nog bij hem te zijn. Ze speuren de andere twee op en vervolgen hun zoektocht naar Maria. Het eerste adres blijkt een kroeg te zijn, waar Maria niet bekend is. Ze bestellen water voor de Afghanen en een borrel voor Laarmans en raken in gesprek. Er ontstaat een discussie over het geloof: Laarmans moet het christendom tegenover de islam verdedigen en daar heeft hij moeite mee. Wanneer ze weg gaan, geeft Ali de bloemen aan een jonge vrouw. Laarmans besluit nu echt afscheid te nemen van zijn vrienden. Hij ontvangt als dank een doos sigaretten. Op de terugweg komt hij langs het tweede adres en hij moet zichzelf bedwingen om niet aan te bellen. Hij loopt door naar huis en verzucht dat hij niet over Maria en Fathma zal wanhopen, want ‘de wil des Heren is immers ondoorgrondelijk’.

Tijd en tijdvolgorde:

Het verhaal wordt chronologisch verteld. De verteller schrijft in de tegenwoordige tijd ‘met het verhaal mee’. Hij weet aan het begin dus niet hoe het verhaal afloopt.

De vertelde tijd bedraagt één avond. Dit is een novemberavond in 1938.

Plaats/ ruimte:

De novelle speelt zich af in de straten van Antwerpen.

Karakterbeschrijving en –ontwikkeling:

Laarmans:

Laarmans is de hoofdfiguur van het boek. Hij is een mengeling van twee persoonlijkheden, die af en toe met elkaar in botsing komen. Aan de ene kant werkt hij (schijnbaar) al jaren bij dezelfde baas en koopt hij al dertig jaar zijn krant bij hetzelfde winkeltje. Aan de andere kant is hij nieuwsgierig en doet hij wat zijn hart hem ingeeft. Hij heeft een vrouw en zes kinderen, maar voelt zich niet met hen verbonden. Als hij thuis is, zegt hij niets en staart hij alleen voor zich uit. Hij heeft geen gesprekken met zijn eigen gezin. De wil om de Afghanen te helpen, komt voort uit nieuwsgierigheid naar Maria en niet uit behulpzaamheid. Laarmans is een rond karakter.

De drie Afghanen:

Laarmans helpt de drie ‘zwartjes’ om Maria te vinden. Hij weet pas op het eind van het verhaal dat ze uit Afghanistan komen. Eén van hen treedt duidelijk op de voorgrond en heeft de typisch Oosterse naam Ali Khan. Hij komt over als een bedachtzaam en wijs man. Hij is een vlak karakter. Van de andere twee is niets bekend.  Zij zijn typen in het verhaal.

Maria van Dam:

Maria is de vrouw naar wie de vier mannen op zoek zijn. Voor Laarmans is zij alleen een ‘knap mokkel’, maar voor de Afghanen is zij een soort ideaal. Ze speelt slechts mee in de gedachten van de verhaalfiguren en blijkt helemaal niet te bestaan.

Onderlinge relaties:

Laarmans leert de drie Afghanen op een avond kennen en helpt hen bij hun zoektocht. Na deze avond nemen ze afscheid van elkaar en verdwijnen de Afghanen uit het leven van Laarmans.

De vier mannen zijn allen op zoek naar ene Maria van Dam.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

…..

Thematiek:

In het boek staat de nachtelijke zoektocht van de ik-figuur en de drie Afghanen naar een onvindbare vrouw centraal. Op een ander niveau worden de hoge en lage waarden van de mens tegenover elkaar gezet. Voor de Afghanen is Maria een heilige, een ‘parel’, voor Laarmans is zij slechts een hoer. Door dit verschil is Laarmans geen goede gids. Hij helpt de Afghanen niet verder. Als hij later alleen op zoek gaat, vindt hij ‘zijn’ Maria wel. Ook de mislukte bekering speelt een rol in het verhaal. Laarmans wil voor het eerst in jaren weer direct naar huis, maar door de ontmoeting met de Afghanen laat hij dit idee varen.

 Godsdienst is belangrijk in het verhaal. Dit komt tot uiting in de beeldspraak die wordt gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn de zoektocht naar Maria, die gelijk staat aan een kruistocht en de drie zeelieden, de Drie Koningen, die elk een geschenk aan Maria geven.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

Elsschot gebruikt een zakelijke, heldere stijl. Af en toe gebruikt hij Vlaamse spreektaal, iets wat zeer ongebruikelijk was in het jaar van uitgave.

Opdracht:

Het boek is opgedragen aan Paul en Jan Veen.

Vertelsituatie:

Ik-vertelsituatie, de ik-figuur is de hoofdpersoon (Laarmans).

Perspectief:

Ik-perspectief.

Verhaalopbouw:

Het boek bestaat uit zes genummerde hoofdstukjes zonder titel.

Eigen mening:

……