J. Bernlef – Eclips

Bulkboek, Amsterdam (1993)

Titelverklaring:

De hoofdpersoon verliest het gevoel in een deel van zijn lichaam en krijgt het vervolgens weer terug. Net als een eclips (verduistering van zon of hemellichaam) verdwijnt en verschijnt het weer.

De auteur:

J. Bernlef - de naam van een blinde dichter uit de achtste eeuw - is het pseudoniem van Hendrik Jan Marsman. De schrijver Bernlef wordt op 14 januari 1937 geboren in St. Pancras. Hij debuteert in 1960 met de dichtbundel Kokkels. Voor het prozawerk Stenen spoelen ontvangt hij in datzelfde jaar de Reina Prinsen Geerligsprijs. Van 1958 tot 1971 en van 1977 tot 1987 is hij als redacteur verbonden aan de tijdschriften Barbarber en Raster. In Barbarber wordt stelling genomen tegen elke vorm van kunst, onder andere door middel van ‘ready made’-teksten. Raster experimenteert met proza en poëzie. In de beginjaren ’70 debuteert hij als toneelschrijver met het toneelexperiment Sterf de moord ofwel val dood, gevolgd door In verwachting. Voor zijn totale oeuvre ontvangt hij in 1984 de Constantijn Huygensprijs. In 1987 mag hij voor de roman Publiek Geheim de AKO Literatuurprijs in ontvangst nemen en in 1994 ontvangt hij de P.C. Hooftprijs. Zijn totale oeuvre bestaat uit gedichtenbundels, romans, verhalen en essays.

Meest recente werk:

Achter de rug. Gedichten 1960-1990 (uitgegeven in 1997).

Verloren zoon (1997).

Schijngestalten (1997, een bundeling van Hersenschimmen, Vallende ster en Eclips).

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Eclips is een psychologische roman, doordat het accent wordt gelegd op de gedachten en gevoelens van de hoofdfiguur.

Samenvatting:

Kees Zomer rijdt op een dag met zijn auto het water in. Wonder boven wonder overleeft hij het ongeval, maar hij houdt er wel een hersenbloeding aan over. Als gevolg van deze hersenbloeding werkt de linkerhelft van zijn hersenen niet meer en heeft hij geen gevoel meer in zijn linker lichaamshelft. Verward loopt hij door een weiland tot hij bij een huis aankomt. De bewoners denken dat Kees een zwerver is en hij wordt hardhandig weggewerkt. Na een lange wandeltocht valt hij op de grond in slaap. Zodra hij weer wakker wordt ziet hij een radio staan. Hij zet deze aan en krijgt langzaam maar zeker weer het gevoel in zijn lichaam terug. Als hij de radio weer uitzet, dan wordt het gevoel weer minder. De eigenaar van het tuinhuisje, waar Kees lag te slapen, stuurt hem weer weg. Kees loopt verder en komt terecht bij een cafetaria, waar hij kennis maakt met Toos. Ze besluiten samen verder te gaan. Op hun weg eten ze uit vuilnisbakken en overnachten ze op een bouwplaats.

De volgende dag begeven ze zich naar een vuilstortplaats. Toos vindt een naaimachine en besluit deze te verkopen. Kees blijft achter op de vuilstortplaats. Plotseling hoort Kees een auto. Er stappen twee mannen uit die rommelen met kentekenplaten. Kees wordt ontdekt en de mannen, genaamd Cor en Karel, nemen hem mee naar het autokerkhof. Ze eisen van Kees dat hij het autokerkhof bewaakt en voorkomt dat nieuwsgierigen het terrein betreden. Gedurende deze tijd krijgt hij steeds meer het gevoel in de linkerhelft van zijn lichaam terug. Op een nacht nemen Cor en Karel Kees mee in hun auto naar een klus. Kees dient bij een boerderij op wacht te gaan staan. Cor en Karel stelen de motor van een auto en gooien deze in de laadruimte van hun eigen auto. Op de terugweg wordt Kees door de mannen uit de auto gegooid.

Kees wordt de volgende ochtend door een onbekende man gewekt. De man stelt zich voor als IJe en hij neemt Kees mee naar zijn huis. Het is een grote rommel en IJe vertelt dat hij zijn geld verdient met de ruil van allerlei spullen voor natuurproducten. Af en toe krijgt hij iets van de boeren uit de omgeving. Om te kunnen douchen mag hij iedere zaterdag gebruikmaken van de douche in het lijkenhuisje op het kerkhof. Samen met IJe gaat Kees naar het lijkenhuisje. Als IJe onder de douche staat vertrekt Kees weer.

Op zijn weg ‘neemt’ Kees een fiets mee, die niet op slot staat. Hij komt uit bij een boekhandel. De eigenaar herkent Kees, maar heeft al snel in de gaten dat Kees niet ‘de oude’ is. De hoofdpersoon vertrekt weer en fietst in de richting van Bergen. Hij eet een patatje uit een vuilnisbak en wordt uitgescholden door een groep baldadige jongeren.

Een agent vindt Kees op het strand en neemt hem mee naar het politiebureau. Daar wordt hem verteld dat hij al een week wordt vermist. Zijn vrouw komt hem uiteindelijk weer ophalen.

Tijd en tijdvolgorde:

Het verhaal speelt zich af in het heden. In totaal beslaat het boek 11 dagen. Het verhaal is chronologisch opgebouwd en bevat diverse flash-backs.

Plaats/ruimte:

Eclips speelt zich af in en tussen de Nederlandse plaatsen Bergen aan Zee en Heemstede. De ruimten waar de hoofdpersoon zich begeeft zijn ‘braakland, weilanden, nieuwbouwhuizen, een vuilstortplaats en een autokerkhof’.

Karakterbeschrijving en –ontwikkeling /onderlinge relaties:

Kees Zomer:

Kees Zomer verliest door een hersenbloeding, als gevolg van een auto-ongeluk, het gevoel in de linkerhelft van zijn lichaam. Ook geestelijk krijgt hij een grote klap. Een tijdlang kan hij zich zijn eigen naam zelfs niet meer herinneren. Hij zwerft rond en krijgt langzaam maar zeker weer het gevoel in zijn lichaam terug. Geestelijk herstelt hij nauwelijks. Pas op het moment dat hij naar het politiebureau wordt gebracht, wordt hij weer herenigd met zijn vrouw. Het karakter van Kees laat zich beschrijven als rond. Kees is de hoofdfiguur en je leert hem in het boek beter kennen. Deze informatie is echter als gevolg van de hersenbloeding niet altijd even betrouwbaar.

Cor en Karel:

Op de vuilstortplaats maakt Kees kennis met deze twee criminelen. Onder dwang wordt hij meegenomen en moet hij mee naar een ‘klus’. Cor en Karel zijn beiden bijfiguren.

Toos:

In de cafetaria ontmoet Kees deze vrouw. Samen gaan ze zwerven, maar al snel laat Toos hem weer in de steek. Ook Toos is een bijfiguur.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

…..

Thematiek:

In Eclips raakt Kees Zomer als gevolg van een ongeluk zijn geheugen en zijn herinneringen kwijt. Hierdoor is hij zeer gedesoriënteerd.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

Het taalgebruik is erg eenvoudig. Er wordt nauwelijks gebruik gemaakt van moeilijke woorden of lange zinnen. Hierdoor is het boek makkelijk te lezen. De lezer kan zich goed inleven in de gebeurtenissen van Kees, doordat ‘meegekeken’ wordt met Kees.

Opdracht:

Geen. 

Vertelsituatie:

Het verhaal wordt verteld door de ‘ik’-persoon Kees Zomer. Zelf speelt hij de hoofdrol in het verhaal. Er is dus sprake van een ik-vertelsituatie.

Perspectief:

De hoofdpersoon vertelt zelf zijn verhaal doordat hij alle gebeurtenissen met zichzelf bespreekt. Hierbij wordt verteld vanuit het ik-perspectief.

Verhaalopbouw:

Het verhaal is opgebouwd uit zeven hoofdstukken, die chronologisch en fragmentarisch verteld worden. De chronologische opbouw wordt afgewisseld door diverse flash-backs, waaruit blijkt dat de verhaalfiguur zich dingen herinnert. 

Eigen mening:

…..