Godfried Bomans - Erik

of Het klein insectenboek



Het Spectrum, Utrecht (1941)

Titelverklaring:

Erik Pinksterblom is de hoofdpersoon in het verhaal. In dit boek van Bomans wordt tevens de insectenwereld beschreven. Daarmee is dit boek eigenlijk ook een soort ‘klein insectenboek’. De ondertitel slaat tevens op het insectenboek van Solms, dat Erik voor zijn proefwerk moet lezen.

De auteur:

Godfried Jan Arnold Bomans werd geboren op 2 maart 1913 in Den Haag. Na zijn rechtenstudie in Amsterdam te hebben afgebroken, start hij een studie pyschologie in Nijmegen. In 1931 brengt hij reeds op 17-jarige leeftijd zijn eerste toneelstuk, getiteld Bloed en liefde, uit. Zijn literaire debuut maakt hij in 1932 onder het pseudoniem Bernard Majorick; de gedichtenbundel Dryfjacht en het prozastuk Gebed voor Nederland. Grote bekendheid krijgt hij met Memoires of gedenkschriften van Mr. (in latere drukken minister) Pieter Bas (1937) en Erik, of het klein insectenboek (1941). Zijn fantasievolle en humoristische verhalen spreken zowel volwassenen als kinderen aan. Op 22 december 1971 overlijdt hij in Bloemendaal.

Literaire stroming:

Erik of Het klein insectenboek is geschreven in de periode van het surrealisme. In deze tijd zijn fantasie en onwerkelijkheid een belangrijke factor in de kunst. In het werk van Bomans komt dit met name in dit boek nadrukkelijk naar voren. Het is een soort sprookje, waarin de gewone werkelijkheid met het onderbewuste wordt vermengd.

Genre:

Dit boek is een fantasieroman. De gebeurtenissen zijn onwerkelijk en berusten op fantasie.

Samenvatting:

Erik Pinksterblom ligt in zijn bed en kan niet slapen. Hij heeft de volgende dag een proefwerk over insecten, maar heeft het gevoel dat er iets staat te gebeuren. Hij bekijkt het schilderij “Wollewei” waar allerlei insecten op afgebeeld staan. Plotseling ziet hij dat het portret van zijn oma tot leven komt en ook het portret van zijn opa beweegt. Zijn oma vertelt hem dat alle schilderijen leven en Erik geeft aan dat hij graag naar het schilderij “Wollewei” wil gaan. Erik wordt steeds kleiner en stapt het schilderij binnen.
Bij aankomst maakt hij kennis met de adellijke familie Van Vliesvleugel, een wespenfamilie bestaande uit vader, moeder en zeven dochters. Zij wonen in een rode chrysant. Erik eet met de familie mee, maar maakt zich niet geliefd door een lied te zingen over bijen. Ook strijkt hij een bromvlieg, die dienst doet als basviool, dood. Daarop vlucht hij op de rug van een hommel naar hotel “Het slakkenhuis”. De eigenaar van het hotel is een langzame slak en Eriks buurman is een duizendpoot. Bij het ontbijt zijn alle insectengasten onder de indruk van Eriks kennis. Hij weet hen te vertellen dat de rups geen misdaadslachtoffer is, maar over enkele weken zal veranderen in een prachtige vlinder. Als de insecten Erik om adviezen gaan vragen, raadt hij hen aan om gewoon hun instincten te volgen. De insecten blijken nogal egoïstisch te zijn en praten alleen maar over zichzelf.
Erik wil eigenlijk weer terug naar de lijst. Na acht dagen rekent hij af met de hoteleigenaar en krijgt hij een lift van de vlinder, die zojuist uit zijn cocon ontpopte. De mannetjesvlinder ontmoet een vlindermeisje en samen met Erik schrijft hij haar een liefdesgedicht. Na enkele dagen ontaardt dit in een serieus diner met de aanstaande schoonouders en krijgt de mannetjesvlinder toestemming voor het huwelijk. Na het huwelijk vliegt het gelukkige bruidspaar weg en is Erik weer alleen. Erik zwerft rond en op een dag loopt hij zich vast in een spinnenweb. Hij weet zichzelf te bevrijden en doodt de spin. Een teleurgestelde doodgraver nodigt hem uit voor een maaltijd met gebraden paardenvlieg. Erik accepteert zijn uitnodiging en gaat met hem mee naar zijn huis, een ondergrondse gang met allerlei ledematen en skeletten. De doodgraver vertelt Erik over een dam waar de wereld ophoudt. Dit moet de lijst zijn, waar Erik naar op zoek is. De doodgraver is van mening dat de hele wereld om de doodgravers draait. Alle insecten komen immers uiteindelijk op zijn bordje terecht. Na deze mededeling wordt de hele familie door een mol opgegeten en is Erik weer alleen.
Erik vraagt hulp aan een regenworm om weer naar boven te komen. Deze raakt echter met zichzelf in de knoop en Erik wendt zich tot een mier. De mier vertelt hem dat er veel insecten zijn die graag advies zouden willen hebben van de geleerde heer Pinksterblom. Zij willen weten of zij zich goed gedragen volgens het insectenboek van Solms. Erik adviseert hen te doen alsof dit boek niet bestaat. Daarna gaat Erik met de mier mee naar het mierennest. Hij vraagt aan alle mieren of ze willen helpen de regenworm uit de knoop te halen. Bij terugkomst blijkt hij uit honderden stukjes te bestaan. De regenworm wordt tijdens het ‘noenmaal’, dat wordt gegeven ter ere van Erik, opgegeten.
Erik begint te huilen, omdat hij heimwee heeft naar de mensenwereld. De mieren beloven hem te helpen. Tijdens hun tocht naar de lijst, komen ze een ander mierenleger tegen. De beide troepen raken in gevecht en Erik wordt getroffen door een straal mierenzuur. Als hij zijn ogen opent, merkt hij dat hij weer in zijn eigen bed ligt. Niemand heeft hem gemist en op school gaat alles normaal. Erik maakt zijn proefwerk slecht, omdat hij het insectenboek van Solms niet goed geleerd heeft. Eriks juffrouw beklaagt zich hierover bij zijn ouders. Het liefst gaat hij weer terug naar de insectenwereld, maar het wonder geschiedt niet meer.

Tijd en tijdvolgorde:

Het verhaal speelt zich af in de nazomer. Dat blijkt uit het ‘noenmaal’ bij de mieren. De vertelde tijd is in principe één nacht en één dag. In Eriks belevenis zijn dit echter enkele weken. Het verhaal is geschreven in de verleden tijd en bevat meerdere vooruitwijzingen.

Plaats enruimte:

Het verhaal speelt zich grotendeels af in het grote insectenrijk, waar Erik terecht komt als hij het schilderij ‘Wollewei’ binnenstapt. In mindere betekenis speelt het verhaal zich af in Erik’s slaapkamer, in de huiskamer en op school.

Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:

Erik Pinksterblom:

De enige hoofdfiguur in het boek heet Erik Pinksterblom. Hij is een negenjarig jongetje met veel kennis over insecten (hij moet immers het insectenboek van Solms leren voor school). Zijn avonturen in het dierenrijk maken zo’n indruk op hem, dat hij zelfs op school niet meer realistisch kan denken. Erik is een rond karakter.

De insecten:

De insecten worden weergegeven als karikaturen van mensen. Zij beelden hierbij allerlei negatieve menselijke eigenschappen uit. Ze zijn materialistisch, egoïstisch, oorlogszuchtig en bekrompen. De enige positieve eigenschap is het instinct. Door deze karikaturen verworden de insecten tot typen.

Onderlinge relaties:

Erik ontmoet veel verschillende insecten, waaronder de wespenfamilie Vliesvleugel. De insecten gaan onderling goed met elkaar om, afgezien van natuurlijke vijanden. De meeste insecten beschouwen anderen als minderwaardig (zoals de doodgraver).

Geloofwaardigheid van het verhaal:

Het verhaal is niet realistisch

Thematiek:

Fantasie:

Het verhaal draait om de fantasie van Erik, die spannende avonturen beleeft in de insectenwereld.

Menselijke eigenschappen:

In Erik of Het klein insectenboek worden diverse (negatieve) menselijke karaktertrekken beschreven. De geportreteerde insecten beelden karakituren uit van materialistische, oorlogszuchtige en bekrompen mensen.

Motto:

“Noit tutti siamo esiliati, viventi entro le cornici di uno strano quadro. Chi sa questo, vive da grande. Gli altri sono insetti.”
Wij zijn allen ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overige zijn insecten.

(Leonardo da Vinci in een brief aan Gabriele Piccolomini)

Deze tekst is waarschijnlijk niet echt door Leonardo da Vinci geschreven. Het verhaal gaat dat Bomans deze tekst zelf bedacht heeft en heeft laten vertalen in het Italiaans.

Taalgebruik:

Er wordt gebruik gemaakt van verouderde spelling, maar dat maakt het boek niet minder levendig. De tekst is eenvoudig te lezen en humoristisch. Ook maakt Bomans afwisselend gebruik van taalgrapjes (visitekaartje van een bij: ‘was handelaar’).

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

Er is sprake van een auctoriale vertelinstantie. Dat blijkt duidelijk uit bijvoorbeeld de volgende zin: “Wij zullen nu horen van de wonderlijke avonturen …”.

Perspectief:

Hij-perspectief.

Verhaalopbouw:

Het verhaal is opgebouwd uit 13 genummerde hoofdstukken. In de inhoudsopgave staat bij elk hoofdstuk een inleidende tekst, waarin kort wordt verteld wat er in het betreffende hoofdstuk gebeurt. Bij elk hoofdstuk staat een insect afgebeeld. In de meest recente drukken zijn vijf voorwoorden opgenomen (maart 1941, september 1941, december 1946, augustus 1951, januari 1963).

Eigen mening:

...