J. Presser - De nacht der Girondijnen

Vereniging ter bevordering van de belangen des boekhandels, Amsterdam (1957)

Titelverklaring:

‘De Girondijnen’ was een Franse, politieke groepering die gedurende één jaar (1793-1794) een meerderheid heeft gehad. De Girondijnen zijn gematigd, enthousiast, hadden een romantische mentaliteit en stemmen onder andere tegen de onthoofding van de koning. Na een reeks incidenten raken de Girondijnen in diskrediet, waarop de hardere Jacobijnen de macht grijpen. Na een schijnproces wordt een groep van tweeëntwintig Girondijnen naar de guillotine gestuurd. De laatste nacht van deze mensen is door Alphonse de Lamartine beschreven in L'Histoire des Girondins. Deze episode uit de geschiedenis speelt een cruciale rol in deze novelle. Georg Cohen spreekt erover met zijn geschiedenisleraar Henriques en wijst hem op de vergelijkbare situatie waarin de Joden in Westerbork verkeren, waarna Jacques daar uiteindelijk terechtkomt en er zelf enige tijd de rol van onderdrukker van zijn eigen volk speelt.

De auteur:

Jacques (Jacob) Presser wordt geboren in 1899 en overlijdt in 1970. Van 1947 tot 1969 is Jacques hoogleraar geschiedenis in Amsterdam. Behalve satirische detectiveromans en geschiedkundige studies, publiceert hij ook poëzie. Zijn meest bekende werk, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, komt uit in 1965. De nacht der Girondijnen wordt beschouwd als een vingeroefening voor Ondergang.

Recent werk:

Amerika (1949), Gewiekte wielen: Richard Arkwright (1951), Moord in Meppel (1953, onder het pseudoniem Haggi M. Reis), Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (1965, in opdracht van de Nederlandse regering)

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Novelle.

Samenvatting:

Een jonge doctorandus in de geschiedenis, Jacques Suasso Henriques, heeft nog een week om de waarheid over zijn ervaringen op te schrijven. Hij zit in de strafbarak van Westerbork en zal volgende week op de trein naar Sobibor gezet worden. Jacques is niet als jood opgepakt en vervolgens gedeporteerd, maar als vrijwillige medewerker in dienst van de Duitsers getreden. De komende dagen wil hij beschrijven hoe hij in deze situatie terecht is gekomen.

 Ten eerste moet hij precies bepalen hoe hij van school in het kamp is gekomen. De school waar hij gewerkt heeft, het Joods Gymnasium, werd met de dag naargeestiger. Steeds meer leerlingen worden als afwezigen genoteerd. Na de kerst van 1942 komt ook zijn lieveling, de leerlinge Ninon, niet meer op school.

Met joden in het algemeen heeft hij als niet-orthodoxe jood weinig op. Hij vindt dat ze zich te veel laten welgevallen en als ze al reageren kunnen ze alleen maar vluchten in plaats van zich te verzetten. Zijn zeer belezen vader heeft ook altijd de realiteit ontvlucht en wordt uiteindelijk neergeschoten bij een razzia.

Als Georg Cohn, een van zijn leerlingen, hem dan aanbiedt bij zijn vader in dienst te komen, grijpt hij die kans. De school is dan al bijna leeg en het enige alternatief, onderduiken, biedt voor hem geen soelaas. De vader van Georg staat bekend als de ongekroonde koning van Westerbork, omdat hij de chef van de Dienstleiters is. Jacques wordt, op voorspraak van Georg, de adjudant van Cohn.

Jacques arriveert in januari 1943 in Westerbork. Hij krijgt een uniform en moet leren om ‘cementhard’ te worden. Wie te zacht is, wordt zelf op de trein gezet. Het is zij of jij, leert Cohn hem. ‘Zij’ zijn in de eerste plaats de Duitsers, maar in praktijk de andere joden.

In het kamp zet Jacques ook zijn eigen moeder op de trein en draagt hij, huilend van liefde, Ninon de trein in. Hard wordt hij echter ook van het leeghalen van krankzinnigengestichten om de treinen te vullen. Iedere dinsdag moeten de treinen, vol, vertrekken. Als lid van de ordedienst (O.D.), een soort joodse S.S., woont Jacques steeds in een andere barak waar hij als ordebewaker en spion fungeert. Cohn hoopt zo eventuele rellen of ontvluchtingen in de kiem te smoren.

Op de dag dat Cohn door een Hollandse marechaussee wordt uitgescholden, komt Jacques in contact met Jeremia Hirsch. Jeremia noemt zichzelf ‘de rebbe’ en is al regelmatig met interesse afgeluisterd door Jacques. Jeremia Hirsch blijkt een gewone godsdienstleraar te zijn, maar kan toch in elke barak iets teweegbrengen. Met zijn geestelijk overwicht kan hij zelfs de ergste zelfzucht, hebzucht en neiging tot roddelen de kop indrukken.

Tijdens die eerste ontmoeting leert Jacques dat Cohn het in sommige opzichten moeilijker heeft dan zijn ‘onderdanen’. Na dit eerste gesprek eindigen alle ontmoetingen tussen Jeremia en Jacques op dezelfde manier: Jacques, die vroeger nooit een bijbel aanraakte, leest nu passages voor waarbij hij zijn emoties nauwelijks kan verbergen. Jacques begint de bijbel te waarderen. Hij realiseert zich dat hij door zijn gesprekken met Jeremia niet minder antisemitisch is geworden, maar ongetwijfeld meer jood. Hij weet nu dat hij op zijn medemens moet vertrouwen en zich vooral niet boven de anderen mag stellen.

De dagen verstrijken; Jacques’ trein zal binnenkort aankomen. Hij wil nu beschrijven hoe het vullen van de treinen verloopt. Hij vergelijkt de procedure met de bedrijven van een treurspel. Op zondag worden de hoopgevende geruchten, dat de geallieerden spoorlijnen gebombardeerd hebben, ontzenuwd. Op maandagmiddag vergadert de zogenaamde ‘bloedraad’. Na de vergadering wordt de lijst met namen opgesteld. Op de lijst staan de namen van de zieken en gestraften altijd bovenaan. Wie eenmaal op die transportlijst staat, ontkomt de naderende ondergang vrijwel niet meer. Het aflezen van de namen in de nacht des oordeels, gaat met doodse stilte gepaard. Als Jacques klaar is met lezen, volgt een hels kabaal waarin vreugde en verdriet door elkaar heen klinken. De dinsdagochtend waarop de veewagons moeten worden ingeladen, vormt het pijnlijkste gedeelte van de tragedie. De leden van de O.D. voeren deze taak zo snel en hardhandig mogelijk uit.

Ongeveer een etmaal voor Jacques’ trein komt, arriveert er een nieuwelinge in de strafbarak. Ze is een oude kennis van Jacques. Beiden zijn blij dat ze op het laatste moment iemand treffen waarmee ze samen hun ‘guillotine’ tegemoet kunnen gaan. Jacques is tevreden dat hij zover is gekomen met het beschrijven van deze ellende.

Drie weken geleden werd een groep weeskinderen op transport gesteld. Onmiddellijk na deze verschrikkelijke ervaring wilde hij beginnen met schrijven, maar het lukte hem niet. De tweede schrijfpoging doet hij een week later. Een collega van het gymnasium, juffrouw Wolfson, neemt voor zijn ogen een zelfmoordpil in. Ze overlijdt binnen twee minuten.

Na zijn eigen val onderneemt Jacques een derde poging tot schrijven. Zijn ondergang volgt als hij het tegen Cohn probeert op te nemen. ‘s Nacht heeft hij Jeremia’s naam van de transportlijst moeten oplezen. De volgende ochtend wankelt Jeremia even onder het gewicht van zijn rugzak, waarbij zijn bijbeltje uit zijn handen valt. Voor hij het kan oprapen, heeft Cohn het al weggeschopt en Jeremia een bloedneus geslagen. Jacques kan dit niet verdragen. Hij vliegt Cohn aan en geeft het bijbeltje weer terug.Cohn laat Jacques witheet naar de strafbarak voeren.

De laatste nacht voor Jacques is nu aangebroken. D., de oude kennis van Jacques, heeft alles doorgelezen. De tekst kan het kamp uitgesmokkeld worden. Pas de volgende dag, in de trein naar Sobibor, wil ze er over praten.

Tijd en tijdvolgorde:

Jacques Suasso Henriques schrijft het verhaal in de week van 16 tot 22 maart 1943, wachtend op de trein naar Duitsland. De dingen die gebeuren tijdens het schrijven, beschrijft hij in chronologische volgorde. Het eigenlijke verhaal speelt zich af tussen september 1942 en 16 maart 1943 en verloopt niet chronologisch.

Plaats / ruimte:

Het verhaal speelt zich voor het grootste gedeelte in Westerbork af, waar Jacques het verhaal schrijft. De herinneringen die hij beschrijft, spelen zich in het Joods Gymnasium en in Amsterdam af.

Karakterbeschrijving en onderlinge relaties:

Jacques Suasso Henriques:

Jacques is 27 jaar oud. Hij komt uit een familie van Portugese Joden. Jacques wil zo weinig mogelijk aan zijn Joodse achtergrond herinnerd worden. Zijn Joodse naam Jacob gebruikt hij niet meer. Zijn beroep als geschiedenisleraar aan het Joods Gymnasium kan hij niet voortzetten, omdat alle Joden in de zomer van 1943 uit Amsterdam zijn weggevoerd. Hij besluit een veilige, maar smerige baan bij de Ordedienst in Westerbork aan te nemen. Hij helpt de mensen die hij kent zoveel mogelijk, al moet hij van zijn chef ‘cementhard’ worden. Net als dat begint te lukken, komt hij Jeremiah tegen. Jeremiah weet zijn zwakke plekken te raken. Uiteindelijk kiest hij, door Cohn neer te slaan, voor het Joodse volk. Met die keuze tekent hij echter wel zijn eigen doodvonnis. Hij is een rond karakter.

Siegfried Israël Cohn:

Cohn is een Duitse Jood, die zijn volk verraadt om zijn zoon Georg te redden. Hij lijkt een beul, maar in feite is hij doodsbang voor de Duitsers. Hij is een vlak karakter.

Jeremia Hirsch:

Jeremia is het tegenovergestelde van Cohn. Hij was, voordat hij werd opgepakt, een Joodse godsdienstleraar. Hij leert Jacques wat het is om deel van het Joodse volk te zijn. Daardoor voelt Jacques zich meer verbonden met zijn medemensen en wordt hij minder arrogant. Jeremia maakt een Jood van Jacques, met als gevolg dat hij zijn dood tegemoet gaat. Hij is een vlak karakter.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

….

Thematiek:

Het thema is bewustwording. Jacques, aanvankelijk verguizer van Joden, erkent dat hij ook tot het Joodse volk behoort. Hoewel het zijn dood betekent, durft hij kleur te bekennen.

Motto:

Homo homini homo

‘De mens is voor de mens een mens’. De spreuk is afgeleid van Plautus' ‘homo homini lupus’, oftewel ‘de ene mens is voor de andere een wolf’.

Het motto is op twee manieren op te vatten. Het kan verbonden worden met de enorme pijn die alleen mensen elkaar kunnen aandoen. Het kan ook opgevat worden als een teken van hoop. Zolang diepgezonken mensen als Jacques en Sonja tot inkeer kunnen komen, kan de mens nog niet met een beest vergeleken worden.

Taalgebruik:

Het taalgebruik is enigszins gedateerd, maar verder makkelijk leesbaar en goed te volgen. Het verhaal is wel doorspekt van termen en begrippen uit de Tweede Wereldoorlog.

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

Ik-vertelsituatie.

Perspectief:

Ik-perspectief.

Verhaalopbouw:

Het verhaal bestaat uit een voorwoord en het eigenlijke verhaal. Het eigenlijke verhaal is slechts door negen regels wit in stukken verdeeld.

Eigen mening:

….