Hella S. Haasse - Heren van de thee

Querido, Amsterdam (1992)

> Titelverklaring:

De naam ‘heren van de thee’ heeft betrekking op de eigenaars van de theeplantages.

> De auteur:

Hélèna Serafia van Lelyveld-Haasse wordt op 2 februari 1918 geboren in Batavia. Na een jaar vertrekt het gezin voor een twee jaar durend verlof naar Nederland. Als moeder Haasse op Soerabaja ziek wordt, vertrekt het gezin naar Europa. Hella verblijft bij haar grootmoeder in Heemstede en vervolgens in een kinderpension in Baarn. In 1928 keren ze weer terug naar Batavia. Hella bezoekt het lyceum en maakt kennis met de Nederlandse literatuur. Na haar eindexamen besluit ze naar Amsterdam te gaan en studeert ze Scandinavische Taal- en Letterkunde. In 1941 geeft ze haar studie op om aan de Amsterdamse Toneelschool te gaan studeren. Deze studie wordt in 1943 succesvol afgerond en het jaar daarop trouwt ze met Jan van Leliënveld. Hella debuteert in 1945 met de gedichtenbundel Stroomversnelling. Grote bekendheid krijgt ze met Oeroeg (1948, verfilmd in 1993), dat wordt uitgegeven als boekenweekgeschenk. Naast poëzie en romans schrijft Hella novellen, toneelstukken, essays en reisbeschrijvingen. In 1981 ontvangt ze de Constantijn Huygensprijs voor haar gehele oeuvre. In datzelfde jaar gaat Hella met haar man in Frankrijk wonen. Twee jaar later ontvangt ze de P.C. Hooftprijs, vijf jaar later gevolgd door het Eredoctoraat in de Letteren. In 1994 wordt opnieuw een boek van haar uitgegeven als boekenweekgeschenk, getiteld Transit.

Selectie van overige literaire uitgaven:
De verborgen bron (1950), Huurders en onderhuurders (1971), Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter (1978), Berichten van het blauwe huis (1986), Heren van de Thee (1992), Zwanen schieten (1997).

> Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

> Genre:

Psychologische roman / historische roman.

> Samenvatting:

Gamboeng, de eerste dag 1 januari 1973:
De eenentwintigjarige Rudolf Kerkhoven studeert af als chemisch technoloog en reist naar Indië om op Gamboeng een theeplantage te beginnen. Een half jaar daarvoor had hij met zijn vader deze plek bezocht om te bekijken of het een geschikte plantage is om thee te verbouwen. De plaatselijke bevolking reageert bij aankomst positief op zijn aanwezigheid en Rudolf begint dan ook direct enthousiast aan zijn werkzaamheden.

Taferelen van voorbereiding 1869-1873:
Zoals gebruikelijk in de familie, gaat Rudolf naar Nederland om te studeren. Hij neemt zijn intrek in een kosthuis in Delft en studeert technologie. Zijn jongere broer, Julius, gaat in Deventer naar school. De overige familieleden verblijven nog in Indië. Op een dag krijgt Rudolf een brief van zijn vader. Hij schrijft dat hij een stuk land heeft kunnen pachten en is van plan een theeplantage te beginnen. Rudolf besluit na zijn studie weer naar Indië terug te gaan om zijn vader op de plantage Ardjasari te helpen. Vóór zijn vertrek naar Indië bezoekt hij oom Willem van der Hucht. Rudolf wordt koel ontvangen, maar al snel raken oom en neef aan de praat. Oom Willem heeft aan Rudolfs vader advies over het runnen van de plantage gegeven. Hij vertelt Rudolf over de moeilijkheden die zijn vader nog tegemoet kan zien en raadt hem aan om in Indië contact op te nemen met oom Eduard.

Na het afstuderen krijgt Rudolf niet de uitnodiging die hij van zijn vader verwacht. Wel adviseert zijn vader hem te gaan werken als vrijwilliger bij De Atlas, een fabriek van stoom- en andere werktuigen. Het werk bevalt hem goed en hij kan het goed met zijn collega’s vinden. Toch heeft Rudolf heimwee naar Indië. Zijn enthousiasme wordt aangewakkerd door de komst van zijn jongere broer August, die in Nederland gaat studeren. Rudolf boekt een reis op de Telanak en vertrekt richting Java. Aan boord verveelt hij zich en Rudolf is dan ook opgelucht als het schip eindelijk aankomt. Hij wordt ontvangen door Joseph van Santen, de man van zijn zwangere zus Bertha. Hij is teleurgesteld als Joseph hem vertelt dat hij nog niet naar zijn ouders kan afreizen. Hij heeft ze immers al vijf jaar niet meer gezien. De doorreis had ruim van tevoren geregeld moeten worden. Bovendien vindt Joseph dat Rudolf niet zonder begeleiding kan reizen. Na enkele dagen wordt een geschikte begeleider gevonden; Adriaan Holle. De reis naar de Preanger van Rudolfs ouders wordt onderbroken door een bezoekje aan de theeplantage van Adriaan. In de fabriek van de plantage maakt Rudolf kennis met zijn oom Eduard en met Karel, de broer van Adriaan.

De volgende dag reizen Rudolf en oom Eduard af naar de theeplantage van oom Eduard, Sinagar. Tijdens deze reis leert Rudolf paardrijden: een onmisbare vaardigheid in Indië. Kort na aankomst op de plantage wordt de reis van Rudolf naar de Preanger snel geregeld. Oom Eduard adviseert Rudolf zich in het schieten te bekwamen, zodat hij zich kan verdedigen als hij door een wild dier wordt aangevallen.
Bij aankomst blijkt dat Rudolfs hulp op Ardjasari niet nodig is. Rudolf krijgt de kans om zich te bewijzen als zijn ouders naar Batavia gaan om Bertha bij te staan bij haar bevalling. Hij beheert dan korte tijd de theeplantage van zijn vader. Als oom Eduard zijn kinderen naar Nederland brengt, mag Rudolf een tijdje de plantage Sinagar beheren. Ondanks dat Rudolf diverse problemen tegenkomt, weet hij deze problemen op een creatieve wijze het hoofd te bieden. Bij terugkomst schenkt oom Eduard hem het paard Odaliske, waar Rudolf zeer op gesteld is geraakt. Rudolf keert terug naar Ardjasari, maar wordt bij aankomst onaangenaam verrast. Zijn vader heeft inmiddels een nieuwe werknemer aangesteld en zodoende is Rudolf weer werkloos. Bovendien heeft Cateau, een andere zus van Rudolf, zich met de landsadvocaat Joan Henny verloofd.

De ontginning 1873-1876:
Rudolf begint enthousiast met het verwijderen van de koffieplanten op zijn plantage, Gamboeng. Hij legt een proeftuin aan voor theeplanten. Ondanks dat hij opnieuw tegen allerlei problemen aanloopt, is Rudolf niet ontevreden. Hij weet indruk te maken op zijn personeel, als hij een tijger met één trefzeker schot tussen de ogen doodt. Rudolf is teleurgesteld dat zijn ouders hem nog steeds niet zijn komen opzoeken. Bovendien had hij verwacht dat zijn vader hem, als oudste zoon, om advies zou vragen omtrent de problemen met de plantage Ardjasari. Deze problemen blijken indirect ook gevolgen voor Rudolf te hebben. Vader Kerkhoven kan Rudolf geen financiële steun meer bieden. Rudolf besluit een andere geldschieter te zoeken. Zijn zwager kan hem niet helpen en ook verzoeken bij diverse handelsondernemingen worden afgewezen. Enkele weken later krijgt Rudolf het bericht dat zijn zus in het kraambed is gestorven. Opnieuw vertrekken zijn ouders naar Batavia en neemt Rudolf het beheer van hun plantage over. Bertha’s kinderen worden intussen ondergebracht bij Cateau en haar man Joan Henny. Als Rudolfs ouders weer terugkeren, hebben ze eindelijk goed nieuws: Joseph van Santen is alsnog bereid financiële steun te bieden voor Rudolfs plantage. Kort daarna krijgt Rudolf officieel de erfpacht van Gamboeng. Eindelijk lijkt het geluk Rudolf toe te lachen.
Desondanks voelt hij zich erg eenzaam. Hij verlangt naar vrouwelijk gezelschap, maar hij ziet af van een huwelijk met een Indische vrouw. Van zijn ouders krijgt Rudolf het verzoek naar de familie Henny in Batavia te gaan.

Het paar 1876-1879:
Cateau wordt bij de verzorging van Bertha’s kinderen door de zeventienjarige Jenny geholpen. Rudolf is op slag verliefd als hij Jenny ziet. Voorzichtig informeert hij bij zijn zus naar Jenny’s familie. Jenny is de middelste van drie dochters van dhr. Roosegaarde Bisschop, vice-president van het hooggerechtshof. Cateau nodigt de familie Roosegaarde Bisschop uit voor een diner. Rudolf is betoverd door Jenny’s schoonheid, maar hij heeft nog niet de moed om haar aan te spreken. Na het diner spreken Rudolf en Joan Henny over de kinderen. Joan Henny heeft liever dat de kinderen weer weg gaan, maar ze mogen nog een tijdje blijven. Kort voor zijn terugkeer naar Gamboeng krijgt Rudolf eindelijk de kans om Jenny te spreken. Hij vraagt of ze met hem wil corresponderen. Jenny is bang dat haar vader geen toestemming zal geven, maar Cateau komt met een oplossing. Rudolf moet zijn brieven aan zus Cateau richten, zodat Jenny ze kan bekijken. Jenny schrijft haar reactie op Rudolfs brieven in haar dagboek, die Cateau vervolgens weer leest. Cateau schrijft dan op haar beurt weer naar Rudolf.

Een half jaar later ontmoeten Rudolf en Jenny elkaar weer. De vonk slaat opnieuw over. Rudolf besluit zijn vader over te halen om van Jenny’s vader toestemming voor een huwelijk te verkrijgen. Het verzoek wordt echter afgewezen omdat Jenny nog te jong is. Rudolf is ontroostbaar. Het werk op Gamboeng kan hem niet meer boeien. Rudolf besluit een nieuwe woning op de plantage te bouwen. Het ontwerpen van zijn droomhuis biedt hem weer enige troost. In zijn brieven aan Cateau beschrijft hij zijn vorderingen. Op verzoek van Rudolf brengt vader Kerkhoven opnieuw een bezoek aan Jenny’s vader. Deze keer krijgt Rudolf wel toestemming voor het huwelijk en korte tijd later bezoekt Jenny de plantage Gamboeng. Ze is echter teleurgesteld als ze het woonhuis ziet, waarvan ze zich meer had voorgesteld.

Het gezin 1879-1907:
Als gevolg van de aanhoudende droogte, mislukt de theeoogst. Desondanks is Rudolf gelukkig. Hij is inmiddels enkele maanden getrouwd en zijn vrouw is zwanger. In augustus van dat jaar wordt hun eerste zoon geboren. Hij wordt naar zijn vader genoemd, maar wordt doorgaans Baasje genoemd. Rudolfs ouders keren terug naar Nederland. Ook Joseph van Santen vertrekt met twee van zijn drie kinderen naar Nederland. Rudolf verwacht dat, nu zijn ouders repatriëren, hij het beheer over Ardjasari over moet nemen. Vader heeft echter broer August aangesteld als administrateur. Opnieuw is Rudolf teleurgesteld; hij is weer niet betrokken geweest bij een beslissing van zijn vader.

In 1880 worden de veekuddes geteisterd door een uitgebreide veepest-epidemie. Rudolf windt zich enorm op over het feit dat de overheid onvoldoende ingrijpt. Ondanks zijn inspanningen om de overheid op andere gedachten te brengen, wordt ook zíjn kudde door de epidemie aangetast. Rudolf brengt een onaangekondigd bezoek aan de plantage Ardjasari. Tot zijn spijt moet hij concluderen dat zijn broer de plantage verwaarloost. Rudolfs goed bedoelde adviezen worden echter afgewezen.

Jenny is inmiddels zwanger van haar tweede kind. De zwangerschap verloopt moeizaam. Ze voelt zich niet gelukkig en vraagt zich af of zij wel op Gamboeng wil blijven. Na een zwangerschap van zeven maanden wordt hun dochtertje geboren. Helaas sterft zij al na enkele uren.

In 1891 brengt oom Eduard een bezoek aan Gamboeng. Rudolf spreekt met hem over de situatie op de plantage Ardjasari. Oom Eduard begrijpt het probleem. Hij vertelt Rudolf dat August verliefd is op Marie, Jenny’s zus. Jenny heeft gemengde gevoelens over een eventuele verloving van haar zus met August. De verloving van August en Marie is tevens onderwerp van gesprek bij het bezoek van de familie Henny aan Gamboeng. Volgens Cateau kan de relatie beter verbroken worden, want het stel heeft regelmatig ruzie. Rudolf verneemt van Joan Henny dat zijn vader een fabriek in Amsterdam wil opzetten. Weer heeft zijn vader hem niet bij een beslissing betrokken.

Aan het eind van 1891 bevalt Jenny van een tweede zoon, genaamd Eduard Silvester. Er lijkt een gelukkige periode aan te breken voor Rudolf. Helaas is deze maar van korte duur. Rudolf krijgt het bericht dat Jenny’s vader is overleden. Het paar haast zich naar Batavia om Jenny’s moeder bij te staan. Op verzoek van August vraagt Rudolf aan Marie hoe het met de verloving staat. Marie reageert woedend. Ze vindt Rudolf bemoeizuchtig en ze is absoluut niet van plan een leven als ‘broedkip’ te leiden, zoals Jenny.

In 1883 vinden een aantal vulkaanuitbarstingen plaats. De plantage van Rudolf blijft echter bespaard. Kort daarna bevalt Jenny van hun derde zoon, genaamd Emile. Jenny wordt steeds depressiever. Ze verlangt naar ontspanning, maar Rudolf geeft daar niets om. Jenny is blij als Marie hen vanuit Nederland een bezoek komt brengen. Marie heeft de verloving met August verbroken, omdat hij haar beloften deed, die hij niet nakwam. Een verzoening met August is uitgesloten. Daarnaast blijkt Marie wroeging te hebben. Ze heeft jarenlang een lustremmend poeder in haar vaders koffie gedaan, om te voorkomen dat haar moeder wéér zwanger zou raken. Daarbij heeft ze niet geweten dat het middel een hartstilstand kan veroorzaken.

Rudolf is bezorgd. Er is op het eiland arbeidsonrust ontstaan. De Indische bevolking is ontevreden over de behandeling door de landeigenaren. Rudolf vraagt advies aan Karel Holle, die meer over de Indische bevolking weet. Hij is van mening dat Rudolf meer voor zijn personeel moet doen, maar Rudolf vindt dat hij zijn handen al vol heeft aan zijn kinderen.
In april 1887 wordt de vierde zoon van het gezin Kerkhoven geboren. Hij wordt Karel Felix genoemd. In 1888 bevalt Jenny van een dochtertje, genaamd Bertha. Twee jaar later sterft Rudolfs vader. In zijn wilsbeschikking waardeert hij de werkzaamheden van August hoger dan die van Rudolf. Jenny neemt haar twee oudste zoons mee naar Nederland. Ze zullen daar gaan studeren en ze kunnen bij de familie Henny wonen.

Enkele jaren later besluit Rudolf een kwart van de aandelen in Ardjasari van zijn familie over te nemen. Hij neemt contact op met zijn zwager, Joan Henny, om de waarde te laten taxeren. De waarde valt zodanig hoog uit, dat Rudolf besluit ervan af te zien. Teleurgesteld probeert hij een hoger salaris te krijgen en een weduwenpensioen voor zijn vrouw. Dit wordt hem wel toegekend. De overname van de plantage Ardjasari blijft echter een probleem. Rudolf legt de oorzaak bij Joan Henny, die op zijn beurt (in het belang van de twee zoons) alle contacten met Rudolf verbreekt. Rudolf legt zich hier niet bij neer en haalt zijn twee zoons uit het gezin van Cateau. Hij begint een nieuwe onderneming op de hoogvlakte van Pengalengan. Hij ziet grote kansen voor deze nieuwe onderneming en hij droomt van rijkdom.

In 1901 vindt er een reünie plaats van de families Roosegaarde en Kerkhoven bij Jenny’s moeder in Apeldoorn. Rudolfs verblijf in Nederland maakt hem niet gelukkig. Hij heeft heimwee naar Indië. Bovendien wordt hij er door zijn familie van beschuldigd zijn broers Julius en August negatieve adviezen te hebben gegeven.

Drie jaar later keert Rudolf jr., inmiddels Ru genoemd, terug uit Nederland. Hij wordt enthousiast ontvangen door zijn familie en de vele personeelsleden op de plantage Gamboeng. In 1905 trouwt Rudolfs zoon Eduard met Madeleine Lambrechtsen. Het gezin Kerhoven woont de bruiloft, die in Nederland plaatsvindt, bij. Madeleine’s familie spreekt Rudolf aan over zijn conflict met Joan Henny. Ze vinden dat het onredelijk is om te zeggen dat zijn zoons zelfs geen hand naar hem uit mogen steken. Rudolf is onvermurwbaar en blijft bij zijn standpunt. Hij keert snel weer terug naar Indië. Jenny blijft met Bertha achter. Ze is zelfs aanwezig bij de geboorte van haar eerste kleinkind. Op de foto, gemaakt in de kraamkamer van Madeleine, is te zien dat Jenny erg oud is geworden. Ze lijdt aan een zenuwziekte en heeft depressieve buien. Bij terugkomst in Indië verslechtert haar situatie. Niet lang daarna overlijdt ze aan een hartstilstand . Jenny wordt bij het graf van haar overleden dochtertje begraven.

Gamboeng, de laatste dag 1 februari 1918:
Rudolf woont sinds een jaar met zijn dochter in Bandoeng. Hij voelt dat hij oud en ziek wordt. Hij wil dan ook nog één keer de plantage Gamboeng bezoeken. Rudolf vraagt zich af of hij Jenny misschien verwaarloosd heeft. Van haar zus Marie heeft hij begrepen, dat ze geen hartstocht heeft gekend. Hij denkt aan zijn vader, die graag op Ardjasari begraven had willen worden. Als Rudolf bij de plantage Gamboeng aankomt, vertelt hij zijn dochter dat hij op zijn eigen plantage begraven wil worden.

> Tijd en tijdvolgorde:

Het verhaal begint in 1869 als Rudolf 21 jaar is. Het eindigt op 1 februari 1918. De totale vertelde tijd komt daarmee op ongeveer 50 jaar. De gebeurtenissen worden chronologisch beschreven, afgewisseld met enkele flash-backs. Het tweede hoofdstuk gaat, qua tijdsperiode, aan hoofdstuk één vooraf.

> Plaats/ruimte:

De gebeurtenissen vinden plaats in Nederlands-Indië op de plantages Gamboeng, Ardjasari en Sinagar. Daarnaast speelt het verhaal zich af in de Nederlandse plaatsen Santpoort en Utrecht.

> Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:

Hieronder worden de twee belangrijkste personages uit Heren van de thee beschreven.

~ Rudolf Kerkhoven:
Rudolf is afgestudeerd als chemisch-technoloog. Hij heeft er veel vertrouwen in dat zijn theeplantage Gamboeng een succes wordt. Hij weet op creatieve wijze diverse problemen bij de theeplantage Ardjasari op te lossen. Ondanks zijn inspanningen wordt hij niet bij de beslissingen van zijn vader betrokken. Hierover is hij erg teleurgesteld. Rudolf houdt veel van zijn vrouw en kinderen, maar hij beseft te laat dat hij van hen vervreemdt. Rudolf is een rond karakter.

~ Jenny Kerkhoven - Roosegaarde Bisschop:

Jenny is nog erg jong als ze met Rudolf trouwt. In het begin is alles rozegeur en maneschijn. Jenny raakt al snel zwanger en ze bevalt van een zoon. De tweede zwangerschap verloopt minder goed. Na zeven maanden wordt een meisje geboren, die al na enkele uren overlijdt. Jenny bevalt nog vier keer, resp. van drie jongens en een meisje. Ze verlangt naar ontspanning, iets wat Rudolf verafschuwt. Jenny kwijnt weg op Gamboeng en wordt depressief. Ze lijdt aan een zenuwziekte en pleegt zelfmoord. Jenny is een rond karakter.

Alle personages uit het onderstaande relatieschema worden uitgebreid beschreven. Zij zijn allemaal ronde karakters.

> Thematiek: ~ Gevoelens:

Het hoofdthema in Heren van de thee is gevoelens. Rudolf is teleurgesteld dat zijn vader hem niet betrekt in het nemen van beslissingen. Deze gevoelens durft hij niet uit te spreken. Ook Jenny heeft moeite met het uiten van haar gevoelens. Ze is ongelukkig op Gamboeng, maar laat hiervan weinig merken. Deze onuitgesproken gevoelens leiden tot depressieve buien en het plegen van zelfmoord.

> Motto:

‘De zaken zijn dood en kunnen niet herrijzen, maar de personen kunnen voor ons weer leven als we vernemen wat ze dachten en voelden.‘

Fragment uit een brief van Bertha de Rijck van der Gracht - Kerkhoven aan haar broer Karel Kerkhoven.

‘Un oeuvrage de fiction mélange à sa guise le vrai et le faux, le vécu, le retranscrit, l’imaginaire, la biographie.’ (Een fictief werk combineert naar wens de waarheid, de leugen, de ervaring, het afschrift, het denkbeeldige en de biografie.) Citaat van Philippe Labro.

> Taalgebruik:

Haasse schrijft eenvoudig Nederlands, dat afgewisseld wordt met typisch Indische woorden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende zinsnede: “Hij had soesah genoeg aan zijn hoofd.”.

> Opdracht:

De opdracht in Heren van de thee luidt: ‘Voor W.H.J. Haasse, Wim, mijn broer.’

> Vertelsituatie:

Er is sprake van een auctoriale vertelinstantie. Het blijkt bijvoorbeeld uit de volgende zin: “Eduards terugkeer dat najaar van 1872 bleek even onduidelijk voorbereid als zijn vertrek. Hij had nooit geschreven, zelfs niet gereageerd op de uitvoerige verslagen die Rudolf hem had toegezonden.”.

> Perspectief:

Hij-perspectief.

> Verhaalopbouw:

Het verhaal is opgebouwd uit zes hoofdstukken. De hoofdstukken zijn voorzien van een titelnaam, die in de samenvatting van dit verslag vermeld zijn. Binnen deze hoofdstukken worden subhoofdstukken onderscheiden, die ongenummerd zijn en geen titelnaam hebben.