Frederik van Eeden – De kleine Johannes

Querido, Amsterdam (1887)

Titelverklaring:

De hoofdpersoon van de roman is de kleine Johannes.

De auteur:

Frederik Willem van Eeden wordt geboren op 3 april 1860 in Haarlem. In 1878 gaat hij medicijnen studeren in Amsterdam. Tijdens deze studentenperiode wordt hij onder andere redacteur van de Almanak van het Amsterdamse Studentencorps en later zelfs rector. Hij schrijft verscheidene gedichten en enkele blijspelen. Hij is één van de oprichters van Flanor, waaruit De nieuwe Gids ontstaat. Hierin publiceert hij De kleine Johannes in delen, die in 1987 in boekvorm uitgegeven worden. De twee vervolgdelen komen uit in 1905 en 1906. In 1885 schrijft hij ook de bundel Grassprietjes onder het pseudoniem Cornelis Paradijs. Hij maakte ook gebruik van het pseudoniem Lieven Nijland. Na zijn artsenexamen in 1886 gaat hij naar Parijs om de psychiatrie te bestuderen. In 1887 vestigt hij zich in Bussum en samen met A.W. van Renterghem sticht hij een psychotherapeutische kliniek in Amsterdam. Als dokter krijgt hij veel te maken met de sociale misstanden. Daarom sticht hij onder andere de tuinbouwonderneming ‘Walden’ , die berust op gemeenschappelijk grondbezit. Dit initiatief loopt echter op een mislukking uit. In 1922 wendt hij zich tot de Rooms-Katholieke kerk om vrede te vinden in zijn rusteloos zoekende geest. In 1932 overlijdt Van Eeden, na een periode van geestelijke achteruitgang.

Ander werk: Frans Hals (1884, toneel); Ellen (1891, poëzie); Van de koele meren des doods (1900, roman); De nachtbruid (1909, roman); Langs den weg (1925, essays) en Mijn dagboek, I-IV (1931), V-VI (1933), VII-VIII (1934), IX (1945).

Literaire stroming:

Hoewel Van Eeden schreef voor De Nieuwe Gids, weken zijn ideeën af van die van de Tachtigers. Zij schreven stukken met het idee ‘l’art pour l’art’- ‘de kunst om de kunst’ en het ging hun meer om de vorm dan om de inhoud. Het was Van Eeden juist meer te doen om de inhoud dan om de vorm. Dit leidde uiteindelijk tot een breuk tussen Van Eeden en de andere Tachtigers.

Genre:

Autobiografisch verhaal in sprookjesvorm.

Samenvatting:

De kleine Johannes heeft erg veel fantasie en hij kan goed overweg met zijn hond, Presto en zijn kat, Simon. Hij droomt ervan om naar de grot te vliegen, die door de wolken gevormd is. Als hij op een zomeravond in een bootje op het meer drijft, verschijnt er een libelle. Deze verandert in Windekind, die hem meevoert op een wonderlijke reis. Windekind vertelt hem dat de zon haar vader is. Ze gaan eerst naar de krekelschool, waar Johannes leert dat de mens een groot, nutteloos en schadelijk dier is en dat het zeer laag staat, omdat die niet kan vliegen of springen. Daarna gaan ze naar een weldadigheidsfeest in een konijnenhol, dat gehouden wordt ter ere van alle dieren die zijn omgekomen door de komst van mensen met honden. Op dit feest ontmoet Johannes de elfenkoning Oberon. Deze geeft hem een gouden sleuteltje, dat op een gouden kistje vol met kostbaarheden moet passen. Hij kan alleen niet zeggen waar dit kistje is.

De volgende dag krijgt Johannes straf op school. Hij had namelijk de leraar verbeterd, toen deze zei dat de zon vrouwelijk is. Die avond kan hij Windekind dus niet weer ontmoeten. Pas op vrijdagavond gaan ze weer samen op pad. Windekind vertelt hem allerlei verhalen over de dieren, die overeenkomsten met mensen vertonen.  Zo hekelt hij de Oorlogsmieren in de godsdienstoorlogen. Johannes vindt dat de mieren dom zijn, maar Windekind zegt dat de mensen juist naar de mieren toekomen om wijzer te worden. Daarna gaan ze naar een zendingsfeest.

Johannes wil niet meer bij de mensen wonen en wanneer Windekind hem over de kabouters vertelt, wil hij deze leren kennen. Als hij de kabouter Wistik ontmoet, vraagt hij of de waarheid te vinden is. Die staat niet in het elfenboekje en ook niet in het kabouterboekje. Windekind heeft Johannes verlaten en deze gaat op zoek naar het kistje. Hij vindt wel een bijbel, maar die moet hij niet hebben. In de lente ontmoet hij Robinetta, die een roodborstje op haar schouder heeft. Johannes is verliefd op haar, maar vindt daarmee nog niet het geluk. Wistik zegt hem dat hij aan het roodborstje moet vragen waar hij het geluk kan vinden. Deze tjilpt: “Hier niet! Hier niet!”. Robinetta wil hem ook helpen en zij laat hem de bijbel zien. Daar heeft Johannes niets aan en hij zegt dat hij geen eerbied  voor God heeft. Nu mag Robinetta van haar vader niet meer met hem omgaan.

Nu is hij na Windekind ook Robinetta kwijt. Pluizer vindt hem in een droevige stemming.  Johannes vindt hem een beetje eng, ook al omdat hij minachtend over Wistik spreekt. Hij treedt hardhandig op, wanneer Johannes over Windekind praat. Hij neemt hem mee naar Dr. Cijfer en de sombere achterbuurten van de stad. Vervolgens gaan ze naar het kerkhof, naar Hein de Dood, waar Johannes ziet wat er van de mens verwordt. Hij ziet ook zijn eigen dode lichaam. Johannes verandert zijn gedachten en hij overwint de macht van Pluizer, wanneer deze de doodsoorzaak van Johannes’ vader wil onderzoeken door zijn lichaam open te snijden. Hein knikt naar Johannes als hij ziet dat deze de wil van Pluizer kon weerstaan. Windekind komt terug, maar past niet meer in de wereld van de volwassen geworden Johannes. Hij voert Johannes mee en wijst hem op het Grote Licht. Dan ontmoet hij een mens (de Ongenoemde) die hem op het donkere oosten wijst, waar de mensheid met haar weedom is. Johannes moet kiezen tussen Windekind en de Ongenoemde: hij wendt zich van Windekind af en gaat met de ernstige mens mee.   

Tijd en tijdvolgorde:

Het verhaal wordt chronologisch verteld en de vertelde tijd is ongeveer vijftien jaar (van het tiende tot het vijfentwintigste levensjaar van Johannes). Het verhaal speelt rond 1900.

Plaats/ ruimte:

De plaats waar het verhaal zich afspeelt, ligt in de duinen, in de buurt van Haarlem. Het speelt zich afwisselend af in de grote stad en in de vrije natuur.

Karakterbeschrijving en –ontwikkeling:

Johannes:

Johannes is de hoofdpersoon van het boek. Het personage is gebaseerd op Van Eeden zelf. In het begin van het verhaal leeft hij gelukkig met zijn vader, zijn hond en zijn poes. Hij woont in een groot huis, waar hij heerlijk kan spelen. Hij heeft een rijke fantasie en is erg nieuwsgierig. Johannes speelt ook graag in de natuur en hij interesseert zich voor alle dieren. In de loop van de tijd leert hij ook de minder leuke kanten van de mens en zijn leven kennen. Johannes is een rond karakter.

Windekind:

Windekind komt tevoorschijn uit een libel. Hij neemt Johannes mee naar een fantasiewereld en laat hem met de figuren die daar leven kennismaken. Zijn vader is de zon. Windekind staat symbool voor de kinderlijke fantasie.

Oberon:

Oberon is de elfenkoning van wie Johannes een gouden sleuteltje krijgt. Dit sleuteltje moet op een gouden kistje met allerlei kostbaarheden passen. Dit kistje moet naar het geluk leiden.

Wistik:

Wistik is de oudste en wijste van de kabouters. Hij symboliseert de dorst naar kennis en weetdrang.

Robinetta:

Johannes ontmoet Robinetta en hij wordt verliefd op haar. Zij mag van haar vader niet meer met hem omgaan, omdat hij een uitspraak doet over God. Zij symboliseert de ontluikende romantiek.

Pluizer:

Pluizer is een vleermuis. Hij is erg bazig en heeft Johannes een tijd lang in zijn macht. Pluizer symboliseert het materialisme.

Hein:

Hein is de personificatie van de Dood. Hij laat Johannes zien wat er met de mens gebeurt na diens dood.

Dr. Cijfer:

Johannes komt bij Dr. Cijfer om te leren en te werken. Dr. Cijfer is een systematische onderzoeker, die alles probeert uit te drukken in formules.

De Ongenoemde:

Met de Ongenoemde wordt waarschijnlijk God bedoeld.

Deze verhaalfiguren zijn allen types. Ze duiden de verschillende levensfasen van Johannes aan.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

…..

Thematiek:

In het verhaal staat de ontwikkeling van kind tot volwassene en de worsteling met de levensraadsels centraal. De volgende elementen spelen hierbij een rol: de levensfasen van de mens; contrasten (goed/kwaad, idealisme/materialisme); het verkleiningsmotief; kritiek op de mensenmaatschappij; het zoeken naar geluk; positivisme en pantheïsme (God is in alles aanwezig).

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

Het taalgebruik stamt uit de vorige eeuw, waardoor er een oude taalstijl wordt gehanteerd.

Opdracht:

‘Aan mijn vrouw’ (=Martha van Vloten).

Vertelsituatie:

Auctoriale vertelinstantie.

Perspectief:

Hij-perspectief.

Verhaalopbouw:

Het verhaal bestaat uit 14 genummerde hoofdstukken. In totaal worden er vier verschillende fasen behandeld, namelijk het Windekind-stadium (kinderlijke fantasie), het Wistik-stadium (kennisdrang), het Pluizer/Dr. Cijfer-stadium (rationalisme en materialisme) en het Ongenoemde-stadium (sociale roeping, adolescentie).

Eigen mening:

……