Jona Oberski – Kinderjaren

BZZTôH, ’s-Gravenhage (1978)

Titelverklaring:

Het verhaal gaat over de tijd in het concentratiekamp van een jonge jongen: zijn kinderjaren. In tegenstelling tot de ideale kinderjaren van vreedzaamheid worden de kinderjaren van de hoofdpersoon overheerst door de dood.

De auteur:

Jona Oberski wordt op 20 maart 1938 in Amsterdam geboren. Zijn vader en moeder zijn uit Duitsland gevluchte joden. Beide ouders hebben de oorlog niet overleefd. Van Oberski zijn drie literaire boeken uitgegeven: Kinderjaren (1978), De ongenode gast (1995) en De eigenaar van niemandsland (1997). Oberski heeft meer gepubliceerd, maar dat zijn wetenschappelijke publicaties op het gebied van fysica (zoals zijn proefschrift over elementaire deeltjes).

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Oorlogsroman, met de nadruk op het concentratiekamp.

Samenvatting:

De hoofdpersoon is een jongetje van drie jaar. Met zijn moeder zit hij in een barakkenkamp. Zijn moeder zegt dat het een vergissing is en dat ze snel weer naar huis gaan. En inderdaad, na een week mogen ze weer naar huis. Thuis gaat het gewone leven verder.

Op een dag komt een onbekende man het huis binnen en schreeuwt dat ze op moeten schieten. Moeder pakt snel wat spullen bij elkaar. Ze worden met heel veel andere mensen, onder anderen met Trude, op de trein gezet. Van zijn vader leert hij al vast wat Hebreeuwse letters, omdat ze, zoals zijn vader zegt, op weg naar Palestina zijn. Ze komen aan in het barakkenkamp. Daar blijven ze niet lang en moeten weer met de trein reizen.

In het nieuwe kamp worden ze van vader gescheiden. Op een morgen echter mogen ze vader zien. Het is zijn verjaardag. Moeder heeft een taart van aardappels en broodkruimels gemaakt. De jongen moet afscheid van zijn vader nemen, zijn moeder mag nog even blijven. Hij moet buiten bij de bewaker blijven wachten, maar als hij zijn ouders hoort kreunen, gaat hij naar binnen. Hij wordt door zijn moeder weggestuurd.

Later moet de jongen naar de ziekenbarak omdat daar zijn vader ligt. De verpleegkundige stuurt hem naar zijn moeder om haar te halen voor het te laat is. Hij vergeet dit echter tegen zijn moeder te vertellen. Toch kunnen ze nog op tijd bij vader zijn als hij sterft.

Van de andere kinderen in het kamp moet de jongen het ketelhuis binnengaan, als proef om te bewijzen dat hij tot de groten behoort. Hij gaat dit ketelhuis binnen en hij ziet daar allemaal lijken liggen. Hij zoekt zijn vader, maar kan hem niet vinden. Als hij zijn moeder vertelt waar hij geweest is, wordt ze kwaad en wast ze hem met een ontsmettingsmiddel. Ze zegt dat hij niet in het ketelhuis, maar in het knekelhuis is geweest.

Later worden de jongen en zijn moeder weer op de trein gezet. De jongen krijgt een slaappil. Wanneer hij wakker wordt, blijkt dat hij twee weken geslapen heeft en zolang zijn ze ook al onderweg. De trein staat stil en steeds meer mensen springen eruit. Er wordt geschoten en niet veel later zijn ze omringd door Russische soldaten. De trein vertrekt en brengt hen naar Tröbitz.

De moeder van de jongen ligt in het ziekenhuis. Samen met Trude brengt hij een bezoek aan haar. Zijn moeder  is er zeer slecht aan toe en begint te vechten. Ze krijgt een injectie waarna ze rustig wordt. Een paar dagen later vertelt Trude dat ze niet meer naar zijn moeder kunnen omdat ‘de weg is afgesloten’. Van Eva hoort de jongen wat Trude bedoelde met de afgesloten weg: zijn moeder is dood. Hij wordt ontzettend kwaad en krijgt hierdoor koorts.

Met een Canadese vrachtwagen gaan ze naar Amsterdam. Daar komen meneer Paul en zijn vrouw hem vertellen dat hij bij hen kan komen wonen. De ik-figuur weigert te eten en als zijn pleegmoeder eten in zijn mond stopt, kotst hij alles uit. Omdat hij geen kind meer is (hij is dan acht jaar), moet hij alles opruimen.

Tijd en tijdvolgorde:

Het verhaal speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog. De vertelde tijd is zo’n vijf jaar. Kinderjaren wordt chronologisch verteld.

Plaats/ruimte:

Kinderjaren speelt zich af in Amsterdam, Westerbork, Bergen-Belsen en Tröbitz.

Karakterbeschrijving- en ontwikkeling / onderlinge relaties:

Ik-figuur:

Hoe de ik-figuur heet, wordt niet duidelijk. Aan het begin van Kinderjaren is hij ongeveer drie en aan het eind, als de oorlog is afgelopen is hij acht. De gruwelijke gevolgen van de oorlog lijken voor een groot deel langs hem heen te gaan. Hij blijft een kind en vriendjes lijken belangrijker te zijn dan de dood van zijn vader. Dit gedrag moet eerder gezien worden als een overlevingsstrategie. Hij is een rond karakter.

Moeder:

Moeder beschermt de ik-figuur tegen de buitenwereld. Ze houdt veel van hem, net als van haar man. Als haar man doodgaat, is de ik-figuur de enige die ze nog over heeft. Zij is een rond karakter.

Vader:

Omdat vader in een ander deel van het kamp zit, komt hij niet zo vaak voor in het verhaal. Wel wordt er veel over hem gesproken: het is een aardige man. Hij is een vlak karakter.

Trude:

Trude is een tante of een kennis. Zij zit in dezelfde kampen als het gezin van de jongen. Na de oorlog zorgt zij ervoor dat de jongen in een pleeggezin terechtkomt. Zij is een vlak karakter.

Meneer Paul en mevrouw G. (tante Lisa):

Zij kennen de jongen al van voor de oorlog en worden na de oorlog zijn pleegouders. Zij zijn vlakke karakters.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

….

Thematiek:

Overleven:

Een jongen van drie jaar komt in het concentratiekamp terecht. Daar leert hij te overleven. Ondanks zijn jonge leeftijd en zijn natuurlijke neiging tot kinderspelletjes wordt hij snel wijzer. Aan de ene kant beseft het kind niet wat de dood is, maar aan de andere kant wordt het er dagelijks mee geconfronteerd.

Motto:

gras, in een blauwe theepot,

apart, tussen het groeiend

uitbloeiend, doorlevend gras gezet.

Judith Herzberg

Uit: ‘Beemdgras en zachte dravik’

De thematiek van Herzbergs poëzie is de jodenvervolging. Het gras in dit citaat, dat apart in een blauwe theepot is gezet, kan gezien worden als het jongetje. Het jongetje heeft de oorlog overleefd en voelt zich alleen tussen zijn dode familieleden: het uitbloeiend, doorlevend gras.

Taalgebruik:

Aan het woord is een kind: Oberski vertelt het verhaal in een kinderlijke stijl. Het kinderlijke blijkt uit de korte zinnen en uit woorden als ‘ik zei’ en ‘mijn moeder vroeg’.

Opdracht:

Aan mijn pleegouders

die heel wat met me hadden

uit te staan.

Amsterdam, 19 november 1977, 19.00 uur.

Deze opdracht staat achterin het boek, na de scène waarin de jongen opgenomen is bij zijn pleegouders. Deze opdracht verhoogt zo het autobiografische karakter van het boek.

Vertelsituatie:

We beleven de kinderjaren van de hoofdpersoon met hem mee. Hij vertelt in de verleden tijd wat hem overkomen is. Ik-vertelsituatie (achteraf vertellend)

Perspectief:

Ik-perspectief. Het perspectief ligt bij de ik-figuur.

Verhaalopbouw:

Kinderjaren bestaat uit vijf, met Romeinse cijfers genummerde, delen. Ieder deel is weer onderverdeeld in korte hoofdstukjes die allemaal een titel hebben. In totaal zijn er 21 hoofdstukjes.

Eigen mening:

….