Gerard Reve - De vierde man

Manteau, Amsterdam / Antwerpen (1981)

Titelverklaring:

Christine, de jeugdige weduwe bij wie de ik-figuur in huis is, blijkt drie minnaars te hebben gehad. Deze zijn alle drie vroegtijdig gestorven. In de eerste nacht droomt de ik-figuur over de Dood en vraagt zich af wie de vierde man zal zijn. De titel is ook een knipoog naar het boek The third man van Graham Greene.

De auteur:

Gerard Kornelis van het Reve wordt geboren op 14 december 1923 in Amsterdam. Hij groeit op in de wijk Betondorp in de Watergraafsmeer. Na het voortijdig afbreken van zijn opleiding aan het Vossiusgymnasium, bezoekt hij de Grafische School in Amsterdam. Tot 1947 werkt hij onder andere als rechtbankverslaggever voor het Parool. Gerard debuteert in 1946 met De ondergang van de familie Boslowits in Criterium. Een jaar later publiceert hij onder de naam Simon van het Reve de sterk autobiografische roman De Avonden, die bekroond wordt met de Reina Prinsen Geerligsprijs. Tijdens zijn huwelijk met de dichteres Hanny Michaelis (van 1948 tot 1956) verblijft hij een aantal jaren in Groot-Brittannië, waar hij een cursus drama volgt en The acrobat and other stories (1956) schrijft. In 1957 keert hij terug naar Nederland en wordt hij redacteur van Tirade. Terug in Amsterdam gaat hij samenwonen met Wilhelm Johann Schumacher die in zijn werk terugkomt als Wimie. In 1964 verhuist hij naar het Friese Groenterp, waar hij samenwoont met Willem Bruno van Albeda en later tevens met H. van Maanen. In 1974 vestigt Gerard zich in Frankrijk waar hij vanaf 1975 samenwoont met Joop Schafthuizen, die tevens zijn zakelijke belangen behartigt. In 1993 vestigen ze zich in België.

De persoon Gerard Reve en zijn werk hebben regelmatig aanleiding gegeven tot rellen. Zo moest de auteur in 1966 (het jaar van zijn toetreding tot de rooms-katholieke kerk) voor de rechtbank verschijnen na een aanklacht wegens godslastering. De aanklacht is gericht tegen zijn beschrijving van gemeenschap met een als ezel geïncarneerde God, in het boek Nader tot U. In 1968 wordt hij vrijgesproken. In datzelfde jaar ontvangt Gerard de P.C. Hooft-prijs en in 1974 wordt hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In 1993, op zijn zeventigste verjaardag, volgt een bevordering tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. De Avonden wordt in 1989 verfilmd en in 1991 integraal (gedurende tien uur) voorgelezen door Gerard.

Recent werk: Brieven van een aardappeleter (1993, brieven), Op zoek (1995, novelle), Zondagmorgen zonder zorgen (1995, korte stukken en brieven), Het boek van violet en dood (1996, roman), Ik bak ze bruiner (1996, sprookjes), Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 (1997, brieven).

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Psychologische roman.

Samenvatting:

De ik-figuur, Gerard, vertelt zijn vriend Ronald een verhaal over wat hem in de jaren ‘60 is overkomen.

Op een dag houdt Gerard, in het Zuidnederlandse havenstadje V., een lezing over zijn werk – hij is schrijver. In de trein, op weg naar V., valt Gerard in slaap. Hij droomt over een lange gang, waarin een kloppend geluid naderbij komt (‘zoals in de film de nadering van gevaar wordt aangekondigd’). De lezing verloopt goed en na afloop nodigt de penningmeester van de vereniging, die hem voor de lezing heeft gevraagd, hem uit om bij haar te overnachten. Haar naam is Christine. Ze is een jonge, aantrekkelijke weduwe en woont in een groot huis naast haar kapperszaak (‘Modern’) en een bijouterie (‘Sphinx’). Hoewel Gerard homofiel is raakt hij opgewonden van haar schoonheid en haar mogelijke rijkdom. Ze gaan met elkaar naar bed en zijn beiden, ondanks Gerards onervarenheid met hetero-seksuele liefde, zeer voldaan.

’s Nachts heeft Gerard opnieuw een nare droom, deze keer over een magere zwarte man (de Dood). In zijn hand heeft de man een sleutel en hij zingt een aftelrijmpje: ‘Tierelier… wie is nummer vier…?’.

De volgende dag ziet Gerard een foto van Herman op het bureau van Christine. Hij wordt meteen verliefd op hem. Christine zal Herman het volgende weekend bezoeken en vraagt Gerard of hij op het huis wil passen. In de hoop Herman te kunnen ontmoeten, gaat Gerard in op haar verzoek. Het weekend daarna doet Gerard zijn best om zoveel mogelijk informatie over Herman aan Christine te ontlokken door te spelen dat hij helderziend is. Christine vertelt dat ze niet goed weet wat ze met Herman aan moet. Uiteindelijk stelt Gerard voor dat ze Herman mee terugneemt naar V. zodat hij met behulp van zijn occulte gaven een oplossing kan vinden. Tijdens zijn spel heeft Gerard twee ‘echte’ visioenen over Herman. In de visioenen staat Herman voor de boeg van een schip en houdt hij één oog dicht.

De volgende ochtend vertrekt Christine naar Herman. Gerard probeert te schrijven, maar het grote huis benauwt hem en hij besluit een wandeling te gaan maken. Bij de plaatselijke bioscoop ontmoet hij Laurens, een lieve, blonde knaap. Hij neemt Laurens mee naar het huis van Christine. Ze vrijen samen in een klein logeerkamertje, waarna Laurens weer weg gaat.

In het kamertje vindt hij een kistje, dat hij later, evenals het kamertje zelf, vergelijkt met een doodskist. Bij het kistje hoort een sleutel die sterk lijkt op de sleutel in zijn droom, vastgehouden in de handen van de Dood. In het kistje vindt hij papieren, brieven en foto’s van drie overleden minnaars van Christine. Alle drie vertonen gelijkenissen met Gerard en allen zijn plotseling overleden. Gewaarschuwd door zijn dromen vlucht Gerard in paniek terug naar zijn woonplaats A.. Later belt Christine en ze vertelt dat ze Herman meegenomen heeft naar V. en dat hij in V. een zwaar auto-ongeluk heeft gehad. Met de auto van Christine is hij tegen een schip gereden, zwaar verminkt geraakt en één oog verloren. Gerard verneemt later dat Christine ook haar vierde man, een Canadees, heeft verloren.

In het laatste hoofdstuk vraagt hij Ronald wat die van het verhaal vindt. Opmerkelijk is dat Ronald naar de precieze tekst van het rijmpje vraagt, dat gezongen wordt door de Dood; en dat Gerard vervolgens antwoordt dat hem dat ontschoten is. Het oordeel van Ronald komen we niet te weten.

 

Tijd en tijdvolgorde:

Het in het boek vertelde verhaal speelt tussen 1960 en 1970 (mei 196x) en neemt drie weken in beslag. Het verhaal bestaat uit een aantal grote flash-backs, die zelf ook weer uit flash-backs bestaan. Het verhaal verloopt wel chronologisch. De tweede week van het verhaal wordt overgeslagen.

Plaats/ruimte:

Het vertelde verhaal speelt zich grotendeels af in ‘het Zuidnederlandse havenstadje V(lissingen)’ en de woonplaats van de schrijver A(msterdam). Het huis van Christine wordt uitvoerig beschreven. Een groot fin-de-siecle huis, aan de rechterkant geflankeerd door twee kleine gebouwtjes: een bijouterie met de naam ‘Sphinx’ en een damescoiffure met de naam ‘Modern’. De kleine kamer waar Gerard het kistje vindt vergelijkt hij met een doodskist.

Karakterbeschrijving en ontwikkeling:

Gerard

De ik-figuur, Gerard, is schrijver en homofiel. Hij fantaseert veel, vaak nogal sadistisch. Gerard is alcoholverslaafd, gierig en bezitterig. Zijn relatie met Christine is oppervlakkig, hij is alleen maar geïnteresseerd in haar lichaam en haar rijkdom. Gerard vertoont duidelijke autobiografische trekken met de auteur Gerard Reve. Hij is een rond karakter.

Christine

In het verhaal wordt Christine niet erg uitgediept. Ze is een jonge, aantrekkelijke weduwe en populair bij de mannen. Ze vertelt onlogisch en werkt als kapster. Ze is een vlak karakter

Onderlinge relaties:

Gerard en Christine ontmoeten elkaar na een lezing van Gerard in het Zuidnederlandse havenstadje V. Hoewel Christine een relatie heeft met Herman begint ze een relatie met Gerard. Als Christine vervolgens Herman in Dusseldorf opzoekt en Gerard op haar woning laat passen, begint Gerard een kortstondige relatie met Laurens.

Gerard vertelt zijn verhaal aan Ronald, een kleurling, die eigenlijk fungeert als toehoorder en proeflezer.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

Thematiek:

Sex, religie en de angst voor de onafwendbare dood.

Het thema wordt ondersteund door diverse motieven. Het kistje en de sleutel (de loop van een geweer) in de handen van de Dood symboliseren een doodskist, evenals de kleine logeerkamer. Het huis en de twee winkeltjes symboliseren de drie-eenheid, samen met de naam Christine (Christus) een religieus motief.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

Het verhaal is overwegend als monoloog beschreven: de gedachten van Gerard. Zijn taalgebruik is niet modern; hij gebruikt veel zinnen die ouderwets overkomen. Het verhaal is echter vlot geschreven en makkelijk te volgen.

Opdracht:

Het boek is opgedragen aan Perkin Walker.

Vertelsituatie:

Ik-vertelsituatie.

Perspectief:

Het verhaal wordt verteld vanuit de ogen van de hoofdrolspeler Gerard, het ik-perspectief.

Verhaalopbouw:

Het verhaal is een raamvertelling. Gerard vertelt, terwijl hij aan het raam staat (!), in enkele uren tijd aan zijn Indische vriend Ronald wat hem in de jaren ‘60 is overkomen. Het verhaal beslaat 8 dagen (van vrijdagavond tot zaterdagmiddag een week later). Vrijdagen en zaterdagen worden uitvoeriger beschreven. De schrijver weet hoe het verhaal afloopt - het verhaal wordt jaren later verteld - maar laat dat in het boek niet blijken.

Eigen mening: