J.H. Wolkers - Terug naar Oegstgeest

Meulenhoff, Amsterdam (1965)

Titelverklaring:

De hoofdpersoon Jan gaat terug naar Oegstgeest, waar hij is opgegroeid.

De auteur:

Jan Wolkers wordt op 26 oktober 1925 in Oegstgeest geboren. Hij groeit op in een streng gereformeerd gezin, als derde van elf kinderen. Hij wordt vanwege slechte resultaten van de MULO gestuurd. Hij helpt eerst zijn vader in de winkel en heeft daarna een aantal verschillende baantjes: bijv. dierenverzorger, tuinman en lampenkappenschilder.

In de oorlog duikt hij onder. In 1944 sterft onverwacht zijn oudste broer. Dit grijpt hem erg aan, omdat hij zijn broer bewonderde vanwege diens protesten tegen hun vader. Na de oorlog studeert hij beeldhouwkunst in Den Haag, Amsterdam en Salzburg. In 1957 krijgt hij een beurs voor een stage bij Ossip Zadkine in Parijs. Hij debuteert in 1961 als schrijver met de verhalenbundel Serpentina’s petticoat. Kort Amerikaans (1962) is zijn eerste roman. Jan Wolkers roept met de ongeremde beschrijvingen van thema’s als sexualiteit, dood en geloof veel weerstanden op. In 1963 ontvangt hij de Novelleprijs van de stad Amsterdam, maar drie jaar later geeft hij het geld terug uit protest tegen het politieoptreden tegen de provo’s. Vervolgens weigert hij in 1982 de Constantijn Huygensprijs en in 1989 de P.C. Hooftprijs. Het Auschwitzmonument in Amsterdam is zijn bekendste sculptuur.

 

Een selectie uit zijn omvangrijke oeuvre:

Romans: Kort Amerikaans (1962), Turks fruit (’69) en Brandende liefde (’81); evenals Terug naar Oegstgeest alle drie verfilmd.

Verhalen: Gesponnen suiker (’63), 22 Sprookjes, verhalen en fabels (’85).

Essays: Tarzan in Arles (’91), Mondriaan op Mauritius (’97).

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Hoewel voor in het boek staat, dat elke gelijkenis van de figuren met bestaande personen op toeval berust, kan men zich, als men Wolkers’ levensloop kent, moeilijk aan de indruk onttrekken, dat de roman sterk autobiografisch is. Het is een psychologische roman, waarin beschreven wordt hoe de hoofdpersoon de terugkeer naar Oegstgeest ervaart.

Samenvatting:

De ouders van Jan beginnen in Oegstgeest een kruidenierswinkel. Jan wordt geboren op zijn vaders 35ste verjaardag. Als Jan een half jaar is, krijgt hij bronchitis, waardoor hij astmatisch blijft. Een ongeluk met de kroepketel, die gebruikt wordt om te stomen bij ziekte, is de oorzaak van het litteken op zijn linkerslaap. Jan groeit op in een streng gereformeerd gezin. Hij is voor zijn ouders, die hem graag zouden zien als een braaf en gelovig jongetje, geen gemakkelijk kind. Het gezin waarin Jan opgroeit is groot. Het meeste contact heeft hij met zijn broer, met wie hij uit ruimtegebrek het bed moet delen. Zij hebben een haat-liefde verhouding, hoewel de bewondering voor zijn broer bij Jan de overhand heeft. Er komen veel herinneringen aan de lagere-schooltijd naar boven. Op juffrouw Vink is hij dol, in tegenstelling tot juffrouw Hakkenberg van de tweede klas. Zo goed als het bij de eerste ging, zo slecht gaat het dan ook bij de tweede. Hij gaat daarop naar een andere school, waar het weer goed gaat. Jan herinnert zich allerlei annekdotes van de hoofdonderwijzer ‘de papegaai’. De schrijver bezoekt beide scholen, evenals een overbuurvrouw en het pand van de winkel, waarin inmiddels een middenstandsbank gevestigd is.

 

Na de lagere school volgt Jan de MULO, die hij nooit afmaakt, omdat hij van school verwijderd wordt. Hij deelt de geloofsovertuiging van zijn ouders niet. Als hij iets uitgehaald heeft, volgt onvermijdelijk de cirkelgang: straf, wraak, medelijden, schuldgevoel. Na het verlaten van de school moet Jan helpen in de winkel van zijn ouders, waarmee het door de crisisjaren van de oorlog steeds slechter gaat. Jan is niet erg geschikt als winkelbediende, omdat hij arme mensen weleens iets gratis geeft. De ouders van Jan verhuren kamers en, om geld voor de kapper te besparen, koopt vader een tondeuse. Uiteindelijk wordt de winkel opgeheven, en gaat Jans vader een kantine in een kasteel beheren. Op zijn 14de krijgt Jan zijn eerste echte baantje bij het Academisch Ziekenhuis. Samen met een andere verzorger bedrijft Jan wrede spelletjes met dieren. Al in de vroege kinderjaren is er sprake van ambivalente gevoelens voor dieren en er zijn meerdere voorbeelden van sadisme. Zijn tweede baantje is tuinjongen op een landgoed. Jan tekent veel in de tuin en studeert Engels en Frans uit de boeken van zijn zus. Hij bezoekt de avondtekenschool en neemt les in machineschrijven. Hij krijgt een vriendinnetje, maar door zijn stuntelige toenaderingspogingen, loopt dit stuk. Na nog enkele baantjes krijgt hij in 1943 werk op het distributiekantoor in Oegstgeest. In die tijd begint hij griezelverhalen te schrijven. Als Jan een oproep krijgt voor de arbeidsdienst, duikt hij onder. De schrijver bezoekt verschillende van zijn vroegere werkplekken: de laboratoria, waar de sfeer niets veranderd is, en het landgoed, dat er totaal verwaarloosd bij ligt. Het boek eindigt met het overlijden van zijn geliefde broer en de herinneringen aan hem.

Tijd en tijdvolgorde:

Het boek bestrijkt de tijd vanaf Jans geboorte tot ca. 1965. De vertelde tijd komt daarmee op zo’n 40 jaar. De jeugdperiode wordt niet chronologisch verteld, maar aan de hand van herinneringen, die bij de schrijver boven komen.

Plaats/ruimte:

Het geheel speelt zich voornamelijk af in Oegstgeest, thuis, op school en op de werkplekken.

Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:

Jan:

De ik-figuur is op zichzelf teruggeworpen, hij voelt zich eenzaam, onzeker en angstig. Tevens heeft hij last van puberteitsproblemen. Zijn reacties daarop zijn in eerste instantie: zelfbeklag, tranen en wraakgevoelens. Daaruit vloeit agressief gedrag en sadisme voort.

Jans oudere broer:

Deze gedraagt zich volwassener, opener en vrijer. Hij durft openlijk tegen de vader te protesteren en spottend commentaar te leveren.

Vader:

De vader komt over als een ouderwetse, krachtige persoonlijkheid, die zich volledig inzet voor zijn gezin. Volgens zijn wereldbeeld heeft alles zijn vaste plaats dankzij geloof, wet en moraal. Hij stelt zich zowel in godsdienstig als in politiek opzicht kritiekloos achter de in zijn kring heersende normen op.

Moeder:

De moeder wordt door de schrijver zelf beschreven als een nerveuze, gefrustreerde vrouw, die haar hele leven heeft gehunkerd naar harmonie, en een beetje welstand en geluk.

De schrijver:

Hij relativeert de gebeurtenissen en personen uit zijn jeugd. Hij beziet alles met een mengeling van ergernis, woede, bewondering, verdriet en tederheid, maar ook met humor.

Onderlinge relaties:

De belangrijkste personen uit de jeugd van de hoofdpersoon zijn zijn vader, zijn moeder en zijn broer, die niet met name genoemd wordt.

Thematiek:

Het opgroeien van een jongen in een groot, streng gereformeerd gezin. Motieven zijn: geloof, vader-zoon relatie, isolement en de dood.

Motto:

“If seven maids with seven mops/Swept it for half a year,/Do you suppose,” the Walrus said,/”That they could get it clear?”/”I doubt it,” said the Carpenter,/And they shed a bitter tear.//

Lewis Caroll, Through the looking-glass

Taalgebruik:

Duidelijk geformuleerde zinnen.

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

Ik-vertelsituatie.

Perspectief:

Ik-perspectief, vanuit de hoofdpersoon.

Verhaalopbouw:

Het boek is opgebouwd uit twee delen van elk 8 hoofdstukken:

a.   in het ene deel vertelt de schrijver zijn jeugd in Oegstgeest

b.   in het andere deel is de schrijver als volwassen man terug in Oegstgeest en gaat hij de confrontatie met het dorp van zijn jeugd aan. Hierin zijn echter zoveel herinneringen verweven, dat het verschil tussen de beide soorten hoofdstukken soms vervaagt.

De hoofdstukken uit deel a. hebben allemaal een titel, die de inhoud dekt.

De hoofdstukken uit deel b. heten allemaal ‘Terug naar Oegstgeest’.

De hoofdstukken van de beide delen wisselen elkaar telkens af.

Eigen mening:

....