Tim Krabbé - De renner

Bert Bakker, Amsterdam (1978)

Titelverklaring:

De renner is Tim Krabbe zelf. Het boek gaat over een wedstrijd die hij als wielrenner rijdt.

De auteur:

Tim Krabbe wordt geboren op 13 april 1943. Hij schrijft voornamelijk romans, gedichten en korte verhalen. Naast wielrennen heeft hij ook veel belangstelling voor schaken. Over deze twee sporten heeft hij een aantal boeken geschreven, zoals bijvoorbeeld 43 wielerverhalen (1984) en Nieuwe schaakcuriosa (1977). In 1967 maakt hij zijn romandebuut met De werkelijke moord op Kitty Duisenberg. Zijn doorbraak naar het grote publiek komt pas in 1984, met de roman Het gouden ei. Hiervoor krijgt hij de Diepzeeprijs. Zijn werk wordt meer in de filmwereld dan in literaire kringen gewaardeerd: vier van zijn boeken zijn verfilmd, waaronder Het gouden ei in 1988.

Meest recente werk:

De paardentekenaar (1995, verhalen) en De Grot  (1977, roman).

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

De renner is een autobiografische roman over Tim Krabbe’s ervaringen tijdens een wielerwedstrijd.

Samenvatting:

Het boek gaat over een wielerwedstrijd waar de ik-figuur aan deelneemt; de Ronde van Mont Aigoual. Het is een zware wedstrijd over 137 kilometer met vier cols. Het (letterlijke) hoogtepunt van de wedstrijd is de beklimming van de Mont Aigoual, de hoogste berg van de Cevennen (deze berg is 1567 meter hoog). De hoofdpersoon doet verslag van deze wedstrijd, vertelt over zijn sportcarrière en praat over wielrennen in het algemeen.

In Meyrueis, op 26 juni 1977, bereidt Krabbé zich voor op de wedstrijd. Hij bekijkt de andere wielrenners en verkent nog even enkele kilometers van het parcours. Direct na de start ontsnapt Despuech uit het peleton en na 25 kilometer is er een kopgroep van zeven renners. Krabbé rijdt in het peleton. Tijdens de klim naar de Causse Mejean, verlaat Krabbe samen met een paar andere renners het peleton en komt hij steeds dichterbij de kopgroep. Krabbé is een slechte afdaler, hij is bang om te vallen. Na twee uur en negenentwintig minuten rijdt Krabbé op kop. Hij heeft echter geen zin om al het werk alleen te doen en laat zich terugzakken.  Nu komt de grootste beklimming pas: die naar de top van de Mont Aigoual. Als het begint te regenen, ziet Krabbé even de betrekkelijkheid van het wielrennen in. Krabbé krijgt ook nog een lekke band, maar Stephan monteert snel een reservewiel en duwt hem weer op weg. Krabbé krijgt dan een zware inzinking, .maar Lebusque helpt hem hier overheen.

De hele wedstrijd door heeft Krabbé erover gedacht hoe hij de eindsprint moet gaan aanpakken. Als het zover is, sprint hij weg en voert een doodstrijd van 12 seconden. Reilhan weet zijn wiel echter net een paar centimeter eerder over de finishlijn te krijgen en Krabbé wordt tweede. Als hij na afloop van de wedstrijd in zijn auto wegrijdt, wordt hij ingehaald door Reilhan.

Het boek eindigt met de beschrijving van het begin van Krabbés’ sportcarrière: op een schrijfmachine tikt hij alle getallen in. Ieder getal was hoger dan het vorige. “Mijn leven was een doorlopende recordverbetering”.

Tijd en volgorde:

De renner is een niet-chronologisch verhaal. Er zijn veel onderbrekingen in de tijd. Wel zijn er

twee chronologische gedeelten in het boek: de beschrijving van de gebeurtenissen in de Ronde van Mont Aigoual (van start tot finish) en de beschrijving van de sportcarrière van de ik-figuur.

De vertelde tijd is dertig jaar (van 1948 tot 1978). De wielerwedstrijd zelf duurt viereneenhalf uur

Plaats/ruimte:

Het verhaal speelt zich af in Zuid-Frankrijk, in de Languedoc. Drieënvijftig wielrenners doen mee aan de Ronde van Mont Aigoual; een wielerwedstrijd over 137 kilometer, in het berggebied van Zuid-Frankrijk. De start en finish zijn in Meyrueis.

Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:

Tim Krabbé, de hoofdpersoon, rijdt op 30-jarige leeftijd een wielerwedstrijd. Tijdens deze wedstrijd vertelt de auteur over zijn belevenissen. Hij is een rond karakter.

Onderlinge relaties:

Stani Kleber:

Hij is Krabbés vaste trainingspartner.

Stephan:

Hij is Krabbés verzorger en materiaalman.

Roux:

Hij is de wedstrijdleider.

Lebusque:

Hij helpt Krabbé over zijn inzinking heen.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

….

Thematiek:

De gedachten van een wielrenner.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

De schrijver gebruikt vaak korte zinnen, waardoor het boek makkelijk leesbaar is. Hij gebruikt ook af en toe wielerjargon.  Het verhaal over de wedstrijd staat in de tegenwoordige tijd, de flash-backs staan in de verleden tijd. Het lijkt wel of de wielrenner (Tim krabbé) met pen en papier op de fiets zit.

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

Er is sprake van een ik-vertelsituatie (met een “ik” als hoofdpersoon, de schrijver/wielrenner/schaker Tim Krabbé). In sommige gedeelten van het verhaal valt op dat de auteur bezig is met het schrijven van deze roman: hij spreekt de lezer toe vanaf zijn schrijftafel (“hier heb ik een foto van Koblet..........”, pag. 15).

Perspectief:

Ik-perspectief.

 Verhaalopbouw:

Tussen de twee chronologisch opgebouwde gedeelten van het boek staan een aantal wieleranekdotes. Het ‘kleine wieleralfabet’ staat hier ook tussen.

Eigen mening:

….