Maarten ‘t Hart - Stenen voor een ransuil

De Arbeidspers, Amsterdam (1980)

Titelverklaring:

De hoofdpersoon, Ammer Stol,  verjaagt een ransuil, die echter weer terugkomt. Hij schaamt zich. De ransuil kan heel goed alleen zijn, iets dat de hoofdpersoon niet zo goed kan. Hij is misschien ook wel een beetje jaloers op de ransuil.

Titelverklaring van de drie delen:

De hoge zwaluwen (deel 1). Deze vliegen voor de laatste keer hoog: de zomer is voorbij.  Dat geldt ook voor de jeugd van Ammer, waarbij hij zich geen zorgen over zijn geaardheid hoefde te maken. Nu komt de periode van zorgen.

Vluchten (deel 2).  Dit slaat op het gedrag van Jacob Valler en heeft ook betrekking op de houding van Ammer (zie de titel van deel drie).

De zomerslaap (deel 3): Ammer wil alleen maar rust en vrede. Hij wil sluimeren in een altijd durende zomer, af en toe de ogen openend om naar “het water des levens” te kijken.

De  auteur:

Maarten ’t Hart wordt geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Na de lagere school gaat hij naar de HBS en vervolgens studeert hij biologie in Leiden. Na het afronden van zijn studie krijgt hij een baan als etholoog aan de Leidse universiteit. In 1971 debuteert hij onder het pseudoniem Martin Hart met de roman Stenen voor een ransuil. In 1973 schrijft hij Ik had een wapenbroeder. In 1975 krijgt hij de Multatuliprijs voor zijn roman Het vrome volk. In 1978 volgt Een vlucht regenwulpen dat in 1981 verfilmd wordt. De aanleiding tot het schrijven van De kroongetuige (1982) stamt uit Maartens studententijd. Enkele medestudenten maken een film, getiteld ‘Moord in het museum’. De opnamen worden in het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie (Leiden) gemaakt, waarover het gerucht gaat dat er een lijk in een pot alcohol verborgen is geweest. Over dit gegeven besluit Maarten ooit een boek te schrijven. Maartens werk kenmerkt zich door autobiografische elementen. De gebeurtenissen spelen zich vaak af in een streng godsdienstig milieu, waaraan de hoofdfiguur moeilijk kan ontsnappen. Ook het thema ‘anders zijn’ (met name door homoseksualiteit) komt in veel van zijn romans en proza naar voren.

Overige werken:

Mammoet op zondag (1977), Laatste zomernacht (1977), De droomkoningin (1980), De ortolaan (boekenweekgeschenk in 1984), Het woeden der gehele wereld (1993), De nakomer (1996).

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Stenen voor een Ransuil is een psychologische roman. Het is ook een ontwikkelingsroman omdat niet alleen een diepgaande beschrijving van de hoofdpersoon centraal staat, maar ook de geestelijke rijping van het personage.

Samenvatting:

Deel I:  De hoge zwaluwen

Ammer Stol is twaalf jaar en komt uit een streng gereformeerd gezin. Zijn vader is dominee en zijn moeder en zus zijn ook druk met de kerk bezig. Ammer haat zijn moeder, omdat hij heel veel dingen niet van haar mag. Hij mag onder andere niet naar muziek luisteren. Zijn moeder vindt zijn muziek niet kerkelijk genoeg. Ammer speelt piano bij zijn vriend Jan Bent-Beukom. Jans’ leraar is organist in de Hervormde Kerk. Ammer is erg onder de indruk van de orgelmuziek. Hij is de melodie vergeten en wil aan mijnheer Brikke vragen hoe het stuk heet.

Als Ammer bij Jan thuis piano speelt en op de leraar wacht, staat er opeens een gedrongen, schele man achter hem. Deze man heeft Ammer al eerder achtervolgd. Bang rent Ammer weg. Als Ammer een keertje alleen thuis is, belt er iemand aan. Het blijkt mijnheer Brikke te zijn; hij wil Ammer stiekem gratis les geven. Ammer krijgt wekelijks pianoles van mijnheer Brikke, aan de Reegkade. Als Ammer in september dertien wordt, mag hij als verjaardagscadeau op het orgel in de kerk spelen. Ammer huilt van geluk.

Mijnheer Brikke en Ammer gaan op een avond heimelijk naar een opera in Rotterdam. Na afloop zegt mijnheer Brikke dat de liefde tussen twee mannen heel normaal is en dat Ammer het heel moeilijk zal krijgen omdat hij net als Brikke is. Ammer begrijpt er niets van. Als de Gereformeerde Kerk een nieuwe organist nodig heeft, wordt Ammer samen met iemand anders aangenomen. Hij krijgt nu officieel les van mijnheer Brikke. De vader van Ammer waarschuwt Ammer om niet naar de praatjes van mijnheer Brikke te luisteren. De lessen worden anders, nu het stiekeme er af is. Soms streelt mijnheer Brikke ‘toevallig’ langs Ammers’ benen. Hij praat ook met Ammer over masturberen en over meisjes. Ammer kijkt nog helemaal niet naar meisjes. Na afloop van een orgelconcert van mijnheer Brikke vraagt mijnheer Brikke Ammer zijn broek naar beneden te doen. Als de koster komt, gaat Ammer weg. Pas na drie weken gaat hij weer naar mijnheer Brikke toe.

De zomer verloopt goed. Tijdens een kerkdienst in september hoort Ammer de melodie die hij vergeten was. Voor het laatst loopt hij met mijnheer Brikke over de Reegkade. Ammer gaat niet meer naar hem. De zwaluwen vliegen hoog: de zomer is afgelopen.

Deel II: Vluchten

Jacob Valler studeert biologie, Ammer studeert Engels: allebei in Leiden. Ze hebben elkaar leren kennen toen Jacob uit wraak een fiets van een heel mooi meisje in de gracht had gegooid. Ammer werd Jacobs vriend toen hij Jacobs proeven doorstond (onder andere een plassende pad en een bijtende meerval).

Ammer Stol is met Jacob op vakantie in Engeland. Jacob wil een paar mooie meiden versieren, Ammer heeft meer succes bij de jongens. Toch lijkt Ammer alleen maar met meisjes te wandelen en over literatuur te praten. Jacob vraagt zich af of Ammer homofiel is. Hij heeft een voorliefde voor koorknapen, maar Ammer is in Oostende met een hoer naar een café gegaan. Op een nacht in een jeugdherberg roept Ammer in zijn slaap Jaobs naam.

Tijdens een wandeling door de Theemsvallei praten ze over ridders als homofielen en over lansen als fallussymbolen. Ammer zegt dat hij zich daar goed in kan vinden, waardoor Jacob nu zeker weet dat Ammer homo is. Hij schrijft een afscheidsbriefje en lift alleen verder.

Deel III:  De zomerslaap

Tijdens de kerstvakantie gaat Ammer naar zijn ouders. Hier schrijft hij een paar preken voor zijn vader, die veel last heeft van zijn maagzweer. Ammer gelooft niet meer in God. Hij verlangt nog wel naar ‘het water des levens’, hoewel hij weet dat het nooit meer zal stromen.

Ammer bezoekt mijnheer Brikke, hij heeft hem zeven jaar niet gezien. Mijnheer Brikke is erg blij met Ammers’ bezoek. Ze praten over homosexualiteit en pedofilie. Mijnheer Brikke vindt zijn seksuele geaardheid niet zondig, maar is toch bang voor de hel. Ammer vertelt hem dat hij ook homo is. Hij heeft dit op pijnlijke wijze bij een klassefeest ontdekt. Hugo Wildervanck, een jongen op wie Ammer verliefd was, heeft hem toen voor ‘vieze homo’ uitgescholden.

Tijdens zijn vakantie wandelt Ammer veel door het mistige winterlandschap. Hij heeft geaccepteerd dat hij homo is en voelt zich gelukkig. Het enige dat hij wil, is rust en harmonie. Toch is hij bang voor een leven als dat van mijnheer Brikke, die eenzaam en verbitterd is.

Ammer ziet een ransuil die hij verjaagt. De uil komt echter weer terug. Ammer schaamt zich. De ransuil kan heel goed alleen zijn, iets dat Ammer niet zo goed kan. Op nieuwjaarsdag vindt Ammer mijnheer Brikke dood op zijn bed. De bittere trek is van zijn gezicht verdwenen. Het ene oog is op Ammer gericht. Om die blik is Ammer bang voor hem geweest en heeft hij van hem gehouden.

Tijd en volgorde:

De roman wordt chronologisch verteld. Er zijn wel veel flash-backs en er is veel tijdverdichting. De vertelde tijd is ongeveer tien jaar, maar alleen de eerste drie jaar en gedeelten van het laatste jaar worden beschreven. Deel 1 is in de verleden tijd geschreven. In deel 2 beschrijft Jacob Valler enkele augustusdagen in Engeland, wat hij in de tegenwoordige tijd vertelt. Het is niet duidelijk in welk jaar zich deze dagen afspelen. Deel 3 heeft de vorm van een dagboek. De tijdsaanduiding is hier dus exact weergegeven.

Plaats/ruimte:

De delen 1 en 3 spelen zich af in een havenstadje (waarschijnlijk Maassluis). Ammer maakt er lange wandelingen (vooral in deel 3). In deel 1 is vooral de wandeling met mijnheer Brikke over de Reegkade belangrijk voor Ammer. De Reegkade is de meest verlaten kade van de stad. Mijnheer Brikke woont hier en is zelf een eenzame man. Een andere belangrijke ruimte voor Ammer is de kerk: hier heerst de serene rust waarnaar Ammer zo verlangt. Ook heeft Ammer in de kerk, bij het orgel, zijn eerste seksuele ervaring.

Karakterbeschrijving en –ontwikkeling / onderlinge relaties:

Ammer Stol:

Ammer is streng gereformeerd opgevoed. Hij is schuchter en zachtaardig en ontwikkelt zich in het boek van een kind tot een volwassen man. Hij heeft veel gevoel voor muziek. Gedurende het verhaal leert hij zijn homofilie accepteren en moet hij zich realiseren dat hij een eenzaam bestaan zal leiden. Hij is een rond karakter.

Mijnheer Brikke:

Mijnheer Brikke is pedofiel.  Hij leeft in eenzaamheid en is een verbitterd man. Hij kijkt scheel en is gedrongen gebouwd. Hoewel Ammer bang voor hem is, houdt hij toch van hem. Mijnheer Brikke is voor hem een soort tweede vader: mijnheer Brikke heeft wel interesse en aandacht voor de dingen die hem interesseren. Hij is een rond karakter.

Hugo Wildervanck:

Huge Wildervanck is de eerste jongen op wie Ammer verliefd wordt. Hij is atletisch gebouwd en is erg intelligent, waardoor Ammer veel concurrentie heeft. Hugo zegt over homofilie: “niks op tegen, maar ze moeten wel wegblijven”. Hij is een vlak karakter.

Jan Bent-Beukom:

Hij is een klasgenoot van Ammer, bij wie hij af en toe piano speelt. Hij is een vlak karakter.

Geloofwaardigheid van het verhaal:

….

Thematiek:

Eenzaamheid ten gevolge van homofiele geaardheid. Coördinerende elementen zijn geloof en muziek.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

De roman bevat geen moeilijk taalgebruik. In de tweede druk van de roman heeft de schrijver vooral stilistische verbeteringen aaangebracht. De dialogen zijn goed en levendig.

Opdracht:

Geen.

Vertelsituatie:

De drie delen hebben ieder een eigen vertelsituatie: In deel 1 is sprake van een auctoriale vertelinstantie; deze verklaart af en toe gebeurtenissen en gevoelens waartoe Ammer (die in de puberteit is) nog niet in staat is. In deel 2 is er een ik-vertelsituatie met Jacob Valler als ik-persoon. In deel 3 is ook een ik-vertelsituatie, met Ammer als hoofdpersoon. Dat de roman eindigt met Ammer als ik-verteller betekent dat hij als volwassene enkele keuzes heeft gemaakt.

Perspectief:

Hij-perspectief en ik-perspectief.

Verhaalopbouw:

Deel 1 bestaat uit vier hoofdstukken. Ammer is eerst 12 en later 15 jaar. Deel 2 bestaat uit vijf hoofdstukken. Dit deel gaat maar over een paar dagen. In deel 3 vertelt Ammer een deel van zijn leven in dagboekvorm. Hierin staan veel flash-backs naar zijn middelbare schooltijd.

Eigen mening:

….