Carl Friedman – Tralievader

G.A. van Oorschot, Amsterdam (1991)

Titelverklaring:

De vader van de ik-figuur heeft in de Tweede Wereldoorlog in een Duits kamp gezeten. Tralies symboliseren gevangenschap. De vader lijkt nog steeds gevangen te zijn: hij kan geen normaal leven leiden vanwege zijn oorlogstrauma.

De auteur:

Carl (Caroline) Friedman wordt geboren op 29 april 1952 in Eindhoven. In Antwerpen volgt ze een opleiding tot tolk/vertaler. Ze heeft niet de ambitie om schrijfster te worden. Ze gooit zelfs een groot deel van haar werk in de container. Ze wordt aangemoedigd door Wouter van Oorschot en in 1991 debuteert ze met het boek Tralievader. Hierin vertelt ze over het kampverleden van haar vader. In 1993 verschijnt de roman Twee koffers vol. In 1996 verschijnen de verhalen De grauwe minnaar. Daarin spelen de verhalen zich af in Antwerpen. Ook dit werk heeft de oorlog als thema.

Literaire stroming:

Moderne Nederlandse literatuur.

Genre:

Autobiografische novelle.

Samenvatting:

De vader van de ik-figuur heeft de  Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Hij heeft in een kamp gezeten en nu heeft hij ‘kamp’. Zijn kinderen (de ik-figuur, Max en Simon) vergelijken dat met een ziekte als de waterpokken. Vader heeft ‘kamp’ in zijn voeten en in zijn hoofd, maar vooral in zijn ogen.

De kinderen worden beïnvloed door de oorlogtrauma’s van vader. Als hij ‘s nachts niet kan slapen en rond gaat lopen, worden ook de kinderen wakker. Ze mogen niet zeggen dat ze honger hebben, want in het kamp werd pas echt honger geleden. Alles wat vader doet en zegt, heeft te maken met het kamp. De kinderen zijn hier ook op school erg mee bezig, maar de lerares vindt dat ze de oorlog eens moeten afsluiten.

Als vader tbc blijkt te hebben, moet hij naar een sanatorium. Tijdens de bezoekuren vertelt hij de kinderen over de plaatsen waar hij ondergedoken heeft gezeten. Zo heeft hij samen met andere onderduikers op het platteland gezeten. Ze werden verraden door een naburige boer. Wanneer vader genezen is van de tbc, mag hij naar huis. Zijn gezin wacht de hele dag op hem, maar hij komt veel later dan verwacht. Hij durfde niet in de trein te stappen.  

De ik-figuur gaat met een vriendinnetje. Nellie, mee naar een kerkmis. De ik-figuur was daar nog nooit geweest. Ze gaat er ook nooit weer heen, want ze vindt dat haar vader veel meer heeft geleden dan Jezus. Vader vindt God een ‘rotzak’, omdat hij in het kamp heeft toegekeken hoe iedereen werd doodgemaakt. Dit is de aanleiding voor een hevige ruzie met Max. Max zegt dat zijn vader hem maar eens moet slaan, net als de SS-ers. Vader lijkt lamgeslagen na deze opmerking.

Max verwijt zijn vader ook, dat hij niet is als de andere vaders. Die gaan namelijk voetballen met hun kinderen, terwijl zijn vader alleen maar over het kamp kan praten. Vader vertelt dat er in het kamp ook werd gevoetbald, maar dat de spelers soms na de eerste helft al begraven konden worden. Het is dus maar goed dat vader niet van voetballen houdt. Nu is Max onder de indruk: hij rent naar zijn kamertje en begint te huilen.

Vader vertelt dat hij iemand heeft vermoord in het kamp. Hij heeft daar spijt van en verwijt de kampbeulen dat ze hem hebben veranderd in een beest. De kinderen vinden niet dat hij een beest is, want beesten tonen geen spijt. Vader blijkt er echter geen spijt van te hebben dat hij iemand vermoord heeft, maar van de manier waarop hij dat heeft gedaan. Hij had het veel langzamer moeten doen, zodat zijn slachtoffer de doodsangst langer had gevoeld.

Na de bevrijding hadden de Engelsen de gevangenen opgehaald. Ze werden naar een transit-camp gebracht. Daar was gebleken dat de gevangenen hun schaamte voorbij waren: ze deden hun behoefte op het gazon. Toen vader thuiskwam, wachtte moeder hem op. Hij werd enthousiast omhelsd. Moeder herinnert zich dat nog en de tranen lopen over haar wangen, terwijl de kinderen toekijken.   

Tijd en tijdvolgorde:

De ik-figuur vertelt over haar jeugd, waarin de kampervaringen van haar vader centraal staan. Hij vertelt over de Tweede Wereldoorlog. De jeugd van de ik-figuur speelt zich af rond 1960. Er wordt namelijk gesproken over het ‘Eichmann-proces’, dat zich in 1961 afspeelde. De vertelde tijd is de jeugd van de ik-verteller. Het verhaal wordt verteld in de tegenwoordige tijd.

Plaats /ruimte:

Het verhaal speelt zich af in de woning van de ik-figuur. De ruimte is eigenlijk niet van belang in het verhaal: ook van het kamp wordt geen uiterlijke beschrijving gegeven. ‘Kamp’ wordt door het gezin als een situatie gezien, niet als een plaats.

Karakterbeschrijving en –ontwikkeling /onderlinge relaties:

Vader:

De vader, Jochel, heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in een kamp gezeten vanwege zijn joodse afkomst. Hij heeft dit nooit kunnen verwerken. Hij lijdt aan slapeloosheid. Hij heeft drie kinderen, één dochter en twee zoons, die dagelijks te maken krijgen met zijn verleden.  

Moeder:

De moeder heeft erg veel geduld met haar man. Zij is blij dat hij het kamp overleefd heeft en treedt vaak verzoenend op tussen vader en zijn kinderen.

De ik-figuur:

De ik-figuur is erg onder de indruk van de gruwelijkheden die haar vader heeft moeten doorstaan. Wanneer haar vader bang is dat de geschiedenis zich herhaalt, begraaft zij haar speelgoed. Ze hoopt dat de Duitsers het niet in handen krijgen. Ze probeert haar vader zoveel mogelijk te begrijpen.

Max:

Max is de oudere broer van de ik-figuur. Hij verwijt zijn vader dat hij hem belast met zijn oorlogsverleden. Hij spreekt, als enige in het gezin, zijn ongenoegen uit over deze belasting.

Daarmee kwetst hij zijn vader, maar hij wordt er zelf ook vaak emotioneel van.

Simon:

Simon is ook een broer van de ik-figuur. Hij beleeft de verhalen van zijn vader heel intens, hij verzint er zelfs dingen bij. Hij heeft geen realistisch beeld van het verleden.

 

Geloofwaardigheid van het verhaal:

…..

Thematiek:

Het verleden:

Het verleden van de vader speelt een grote rol in De tralievader. De vader wordt namelijk in zijn dagelijks leven door zijn oorlogsverleden beïnvloed. Ook voor de tweede generatie kampslachtoffers speelt het verleden een grote rol. Zij weten namelijk niet precies wat er gebeurd is. Ook al vertelt hun vader erover, ze kunnen nooit helemaal begrijpen hoe een ander het verleden heeft ervaren.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

Het boek is duidelijk geschreven vanuit het perspectief van een kind. De stijl is eenvoudig. Net als de verteller, begrijpt de lezer soms niet precies wat de vader bedoelt als hij praat. De gebeurtenissen worden vrij droog weergegeven.

Opdracht;

De opdracht luidt: ‘voor mijn zoon Aron’.

Vertelsituatie:

Ik-vertelsituatie. De verteller weet niet altijd wat er precies gebeurt.

Perspectief:

Ik-perspectief. De verteller schrijft ook vaak in de ‘wij-vorm’. Met ‘wij’ bedoelt ze zichzelf en haar twee broers.

Verhaalopbouw:

Het verhaal is opgebouwd uit veertig getitelde, ongenummerde hoofdtukjes.

Eigen mening:

…….