Ward Ruyslinck – Wierook en Tranen

A. Manteau, Antwerpen (1958)

Titelverklaring:

De titel verenigt de tegenstelling in het thema. De geborgenheid en het zuivere van de wierook en de tragiek en realiteit van de tranen.

De auteur:

Ward Ruyslinck is het pseudoniem van Raymond Charles Marie de Belser, geboren op 17 juni 1929 in Berchem (België). Raymond is de tweede zoon van Leo de Belser, een bibliothecaris bij een oliemaatschappij, en Clothilde Nauwelaers. Na de Duitse inval in mei 1940 probeert het gezin via Frankrijk naar Engeland te vluchten. Ze stranden op enkele kilometers van Calais dat inmiddels door de Duitsers is ingenomen. In 1943 wordt het huis dat de familie bewoont, bij een Duitse luchtaanval verwoest. Raymonds eerste manuscript, dat hij op zijn twaalfde schreef, gaat daarbij verloren. Voorafgaand aan die roman heeft Raymond al meerdere verhalen en gedichten geschreven. Een aantal van die gedichten worden in het dagblad Het Vlaamsche land gepubliceerd.

Na een aantal tijdelijke baantjes in de periode aansluitend op zijn militaire dienstplicht, wordt hij in 1953 aangesteld als adjunct-bibliothecaris bij het Museum Plantin-Moretus in Antwerpen. Na zijn aanstelling in 1953 trouwt hij met zijn schoolvriendin Alice Burn, met wie hij één zoon krijgt. In 1964 vestigt hij zich met zijn vrouw in Pulle in de Kempen en blijft daar wonen tot zijn vrouw in 1990 overlijdt. Hij verhuist naar Meise, bij Brussel, waar hij gaat samenwonen met Monika Lo Cascio. Na vele reizen in de jaren zestig en zeventig, gaat Raymond in 1984 met vervroegd pensioen. Met Monika Lo Cascio schrijft hij in 1993 De speeltuin.

In 1943 debuteert Ward Ruyslinck met De Vaargeul, hij is dan 14 jaar oud. In 1957 baart hij voor het eerst opzien met de novelle De ontaarde slapers. Kort daarop volgt een van zijn meest bekende boeken, de novelle Wierook en tranen. In 1980 ontvangt hij de eerste literaire Europaliaprijs. Wierook en Tranen wordt in 1977 door Ruud Keers verfilmd.

Recent werk:

IJlings naar nergens: ontboezemingen aan een boezemvriend (1989, brieven), De speeltuin (1992, roman, geschreven samen met Monika Lo Cascio), De claim van de duivel (1993, roman), Het geboortehuis (1995, roman).

Literaire stroming:

Existentialisme.

Genre:

Novelle.

Samenvatting:

Waldo Havermans, een negenjarige jongen, is met zijn ouders voor de binnenvallende Duitsers op de vlucht. Het verhaal begint als ze op de tweede dag van hun vlucht in het stadje Poperinge aankomen. Daar overnachten ze bij een oude vrouw en haar kleinzoon Willy. Waldo beschrijft de oude vrouw als een heks en is bang voor haar en haar kleinzoon. De kamer waar ze slapen ruikt volgens Waldo naar wierook. Waldo’s voorliefde voor de geur van wierook bezorgt hem de bijnaam ‘kerkuiltje’

.

De volgende dag zet de familie de tocht voort. Ze raken in een colonne vluchtelingen verstrikt die bij de grensovergang wordt tegengehouden. Samen met de colonne trekt de familie naar een grensovergang die wel open zou zijn. Onderweg worden ze door Duitse vliegtuigen overvallen. Als Waldo weer om zich heen durft te kijken, komt hij tot de gruwelijke ontdekking dat zijn ouders zijn omgekomen. In een veldhospitaal komt Waldo van het voorval bij. Een ‘witte juffrouw’ legt hem daar omzichtig uit hoe wreed de oorlog is. Een kapitein vertrouwt Waldo aan korporaal Evarist toe. Samen met hem reist Waldo naar een vluchtelingenkamp. In een grote stad ontmoet Waldo zijn oudere buurmeisje Vera. Vera’s vader is ingelijfd bij het leger en haar moeder is ze uit het oog verloren. Ze haalt Waldo over om samen verder te vluchten en Evarist achter te laten. Ze overnachten in een vervallen mosterdfabriek.

De volgende ochtend trekken ze via de binnenwegen naar de kust. Onderweg bidt Vera bij een veldkapelletje. Waldo spreekt met haar over de straffen die God de Duitsers zal opleggen, omdat ze overal kerken verwoesten. Samen schuilen ze op een hooizolder, om aan de inmiddels snel naderende Duitsers te ontkomen. Als ze toch ontdekt worden, blijken de Duitsers erg vriendelijk te zijn. Ze krijgen zelfs vruchten aangeboden. Nadat ze gerust hebben, besluiten ze samen weer naar huis terug te keren. Voor de middag van de volgende dag arriveren ze in Tielt, waar een oom van Vera woont. Oom Andreas blijkt stomdronken te zijn als gevolg van een feestje dat hij voor Duitse officieren heeft georganiseerd. Waldo en Vera vluchten weg en besluiten de spoorlijn richting Gent te volgen. Onderweg zien ze een trein met Belgische krijgsgevangen. Ook Evarist bevindt zich onder de moedeloze soldaten. Ze mogen niet met de trein meereizen. Later, als ze in een schuit op de Leie zitten, worden ze door Duitse soldaten ontdekt. Ze mogen in de zijspan van de motoren gaan zitten en hopen zo snel in Antwerpen te komen. Als ze even stoppen om bij te komen, worden de kinderen door de soldaten dronken gevoerd. Als Waldo weer bijkomt, zijn de soldaten verdwenen. Hij vindt Vera even later tussen de struiken, ze kan niet vertellen wat de Duitsers haar aangedaan hebben. Met de hulp van twee zigeuners brengt een ambulance Vera naar Gent. Waldo volgt in de woonwagen van de zigeuners.

 

In het ziekenhuis van Gent, de Bijloke, legt een ziekenzuster Waldo omzichtig uit hoe het met Vera gesteld is. Later, als de dokter geweest is, legt ze hem uit dat Vera een engeltje in de hemel is. Voor Waldo stort de wereld in: ‘Ik was negen jaar en reeds ontwaakte in mijn hart deze bittere onkinderlijke wijsheid: dat het leven heel wat anders was dan een verhaaltje met kleurige droomplaatjes. In de kapel waar de zoete dronkenmakende geur van wierook naar hem toedrijft, twijfelt Waldo aan Gods goedheid.

Tijd en tijdvolgorde:

Het verhaal beslaat zes dagen, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (mei 1940). De eerste dag wordt niet beschreven. De eerste vijf hoofdstukken beslaan vier dagen (van de tweede dag tot en met de vijfde dag). De laatste dag wordt in de resterende drie hoofdstukken beschreven. Het verhaal is chronologisch verteld en bevat geen flash-backs.

Plaats/ruimte:

Het verhaal begint in het Zuid-Belgische Poperinge en speelt zich af tussen de woonplaats van Waldo en de plaats waar Waldo en Vera besluiten terug te keren. Verder speelt het ziekenhuis Bijloke in Gent, waar Vera sterft, een belangrijke rol. De plaatsen waar het verhaal zich afspeelt, de hooischuur, de stuk geschoten kerk, het bootje op de Leie lijken allemaal schuilplaatsen, maar zijn dat niet.

Karakterbeschrijving en ontwikkeling:

Waldo Havermans:

Waldo is negen jaar oud en enig kind. Waldo heeft een opmerkelijke liefde voor de geur van wierook. Hij gelooft heilig in een rechtvaardige God en heeft een kinderlijke kijk op de mens en de wereld. Hij is een rond karakter. Ward Ruyslinck heeft de naam Waldo afgeleid van de zoon van een Vlaams gezin, dat tijdens hun vlucht voor de Duitsers een onderkomen in de buurt van Ward en zijn ouders vond. Die jongen heette Waldo Coremans.

Vera:

Vera is vier tot vijf jaar ouder dan Waldo. Haar vader zit in het leger en ze is haar moeder uit het oog verloren. Vera is gelovig: onderweg stopt ze bij een kapelletje om te bidden en na de oorlog wil ze kloosterzuster worden. Zij is een vlak karakter.

Waldo’s ouders:

Over de ouders van Waldo wordt weinig verteld. Ze vormen een hecht trio in de chaotische massa vluchtelingen. Het is een traditioneel gezin, waarin de vader de beslissingen neemt en de moeder voor het gezin zorgt. Ze zijn vlakke karakters.

Onderlinge relaties:

Vera en Waldo:

Voor Waldo neemt Vera de plaats van zijn moeder in. Beide zijn een beetje verliefd op elkaar. Vera droomt ervan samen met Waldo in de duinen te gaan wonen en Waldo vindt het niet leuk om te horen dat Vera na de oorlog kloosterzuster wil worden.

 

Geloofwaardigheid van het verhaal:

Thematiek:

De tegenstelling tussen het naïeve, ontwakende kinderbewustzijn en de wereld van de volwassenen (de wreedheid van de oorlog) vormt het thema van Wierook en tranen. Telkens weer wisselt het verhaal tussen veiligheid en geborgenheid, het kinderlijke, en de tragiek van de oorlog, de werkelijkheid, de wereld van de volwassenen.

Motto:

Geen.

Taalgebruik:

Wierook en tranen is een makkelijk te lezen boek. Het perspectief ligt bij de negenjarige Waldo, waardoor het taalgebruik eenvoudig is.

Opdracht:

Ward Ruyslinck heeft het boek opgedragen aan zijn ouders: ‘voor pa en ma’.

Vertelsituatie:

Personale vertelsituatie.

Perspectief:

Het perspectief ligt bij Waldo, de lezer volgt het verhaal door zijn ogen. Hij-perspectief.

Verhaalopbouw:

De eerste vijf hoofdstukken van het boek beschrijven de vlucht van huis. Het verhaal begint na de eerste dag en bevat vele tijdssprongen (‘de klosdraad die wordt afgerold’). De zesde dag wordt de terugkeer naar huis ingezet. De resterende drie hoofdstukken worden aan deze laatste dag gewijd. Het verhaal wordt in deze hoofdstukken naar een hoogtepunt gedreven.

Eigen mening: