Nescio - De uitvreter
De Gids, Amsterdam (1911)


Titelverklaring:
Het belangrijkste personage is Japi. Omdat Japi op kosten van anderen leeft, wordt hij ‘de uitvreter’ genoemd.

De auteur:
Nescio is het pseudoniem van J.H.F. Grönloh (Amsterdam 22 juni 1882 – Hilversum 25 juli 1961). Nescio is Latijn voor ‘ik weet (het) niet’. De uitvreter wordt voor het eerst in het tijdschrift De gids gepubliceerd en verschijnt in 1918 in een bundel samen met Titaantjes en Dichtertje. Deze bundel heeft een oplage van 500 stuks. Pas in 1933 verschijnt een tweede druk van 2000 exemplaren en vanaf die tijd is Nescio pas echt bekend geworden. Vanaf 1956 wordt het verhaal Mene Tekel aan het bundeltje toegevoegd. Nescio’s verzameld werk (Twee delen, inclusief ongepubliceerde stukken) is in de betere boekhandel verkrijgbaar.

Literaire stroming:
Een naturalistische inslag (Japi kan zijn lot niet ontlopen), een neo-romantisch thema (de non-conformistische zwerver) en het taalgebruik van de Nieuwe Zakelijkheid.

Genre:
Novelle.

Samenvatting:
Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter. Met deze beroemd geworden zin begint De uitvreter. ‘De uitvreter’ is de bijnaam van Japi. De verteller, Koekebakker, heeft Japi via zijn vriend Bavink ontmoet. Bavink was Japi tegengekomen in Veere, Zeeland. Bavink en Japi zijn kameraden geworden en leven van de opbrengst van de schilderijen die Bavink maakt. Japi maakt er een gewoonte van om ook van andere vrienden te profiteren, ook Koekebakker is daar het slachtoffer van. Na verloop van tijd verliest men Japi uit het oog, maar dan ontmoeten ze hem weer: Japi heeft een baan gevonden (via zijn vader) en is geen uitvreter meer. Gelukkig voelt hij zich daar niet bij. Voor zijn werk moet Japi naar Afrika en na twee jaar komt hij terug: ‘ziek, half dood.’ Enige maanden daarna pleegt Japi zelfmoord door van een brug af te stappen [= hij stapt uit de maatschappij].

Tijd en tijdvolgorde:
De uitvreter is een verhaal dat ongeveer vijf jaar duurt. Het wordt chronologisch verteld, met veel tijdverdichting. De eerste zes hoofdstukken behandelen één jaar. Het zesde hoofdstuk behandeld ook een jaar en het laatste, het zevende hoofdstuk behandeld de resterende 3 jaar.

Plaats/ruimte:
Het water speelt een belangrijke rol in De uitvreter: van het water van het Zeeuwse landschap, via de regen in Amsterdam tot het water onder de Waalbrug waar Japi op het laatst van afspringt = afstapt.

Karakterbeschrijving- en ontwikkeling:
Japi:
Japi is een uitvreter, hij profiteert van anderen. In het begin van het verhaal teert hij volledig op de zakken van zijn vrienden. Na verloop van tijd echter blijkt dat hij werk gevonden heeft en dat hij geen uitvreter meer is. Veel gelukkiger is hij daarvan niet geworden. Japi vindt zichzelf helemaal niks. Hij is een rond karakter. Hij is bezig met te versterven, stap één op weg naar de losmaking van de maatschappij, en, op het laatst, te verstaren wat de één-na-laatste stap is tot zijn volledige losmaking: het stappen van de brug = de derde stap.

Onderlinge relaties:
Koekebakker: Hij is een vriend van Japi en de verteller van het verhaal.
Bavink: Hij is een vriend, en ontdekker, van Japi. Hij is ook een vriend van Koekebakker.

Geloofwaardigheid van het verhaal:
Dit verhaal is geloofwaardig

Thematiek:
Alles gaat voorbij
Japi heeft een groot besef van tijdelijkheid: hij weet dat niets blijft en dat niemand de vergankelijkheid kan overstijgen. Zijn levensfilosofie is dat je maar beter helemaal niets kunt doen, je bent je hele leven bezig met sterven en dat kun je onmogelijk stopzetten. De dood is het enige dat telt, daarom is de zelfmoord van Japi geen wanhoopsdaad, maar een keuze om zich voor eeuwig te verenigen met dat wat hij liefheeft: het water. Door Japi’s filosofie kan hij niet doen wat iedere burger doet: een burgerlijk leven leiden. Japi is een zwerverig type. Japi blijft niet in het leven van zijn vrienden Koekebakker en Bavink, Japi zwerft door hun leven, hij komt en hij gaat.

Motto:
Geen.

Taalgebruik:
Het taalgebruik van Nescio is alledaags: in tegenstelling tot wat in 1911 in de mode was (veel bijvoeglijke naamwoorden, impressionistisch taalgebruik) schrijft Nescio sober en zonder veel beeldspraak. Nescio probeert in spreektaal te schrijven: ‘Toen-i’ en ‘had-i’ zijn daar voorbeelden van.

Opdracht:
Geen.

Vertelsituatie:
We beleven het verhaal over de uitvreter via Koekebakker. Hij is de ik-figuur die Japi’s verhaal achteraf aan ons vertelt. Wat andere personages denken, komen we niet te weten.

Perspectief:
Ik-perspectief

Verhaalopbouw:
Het verhaal telt zeven genummerde hoofdstukken. Het verhaal kan in drieën worden gedeeld, waarbij het eerste en het derde in tegenstelling met makaar zijn. Het 1e, 2e en 3e hoofdstuk beschrijft de relatie Japi <-> Bavink. Het 5e, 6e en 7e hoofdstuk beschrijft de relatie Japi <-> Koekebakker. Het 4e hoofdstuk is een ommekeer-hoofdstuk

Eigen mening:
...