VERSLAG EXCURSIE NATURALIS
Daniel Cremers 1235532
De samenstelling was: koolstofdioxyde, stikstof en waterdamp.
Door de stoffen in een glazen bol samen te brengen in de juiste proporties.
Miller kon aminozuren verkrijgen.
Ik vind dat Miller's experiment niets heeft bijgedragen aan de waarheid achter het ontstaan van het leven. Aminozuren leven namelijk niet.
Deze bollen duiden aan dat bestaande organismen fuseren met elkaar.
Het ontstaan van eencelligen met een kern, het ontstaan van cellen die zich later ontwikkelden tot dieren en schimmels en het ontstaan van cellen waar de planten van afstammen.
Purperbacterien en geigerbacterien zijn betrokken bij de eencelligen met een kern, eencelligen met een kern en spiraalbacterien zijn betrokken bij de dierlijke cellen en schimmels en die cellen samen met blauwwieren vormen weer de plantaardige cellen.
Aan het einde van het Devoon en het begin van het Carboon.
Tot de Anthropoda.
Naar mijn vermoeden lijken ze het meest op de huidige pissebedden. Dat zijn de Isopoda.
Wat me het meest opviel waren de voelsprieten die veel groter waren bij de trilobieten dan bij de pissebedden, maar ook het leefmilieu was anders. De trilobieten leefden op de zeebodem, terwijl de huidige pissebedden op het land leven.

Omdat ze geen harde delen bezitten. Nadat ze waren gestorven werden ze totaal verteerd en bleef er helemaal niets van ze over.
Ze stammen volgens de stamboom af van een gezamenlijke voorouder, dus zijn ze een monofyletische groep.
Roodwieren
Groenwieren
Draadalgen
Ankerwieren
Pantserwieren
Oogvlekwieren
De eerste vaatplanten waren: Rhynia, oervarens, schubplanten en oermossen. Ze hadden hun bloeiperiode in het Devoon.
De bloeitijd van de naaktzadigen was het Devoon.
Tijdens de overgang van het Jura in het Krijt.
Tot het fylum Mollusca en de klasse Cephalopoda.
Ze zijn uitgestorven tijdens het Carboon.
Waarschijnlijk net als de slakken van tegenwoordig. Als er gevaar dreigde, trokken ze zich erin terug. Als er geen gevaar was, dan sleepten ze hem met zich mee over de zeebodem.
De functie was waarschijnlijk om het weke diertje te beschermen tegen predatie.
De meeste zijn uitgestorven tijdens het einde van het Devoon.
Niet alle vissen hebben in hun buikvinnen skeletdelen zitten. De nakomelingen van de Sarcopterygians hebben wel botten in hun vinnen en de nakomelingen van de Actinopterygians hebben de botten niet.
Waarschijnlijk de looppoten die aan de ruggengraat waren gehecht.
Hij behoort tot de hagedisachtigen.
Waarschijnlijk een aanhechtingsplaats voor de spieren van de poten.
De Edmontosaurus annectens.
Ze stierven uit in de periode van de overgang van het Krijt in het Palioteen
Aan de dinosauriërs.
De verschillen zijn een lichtere bouw, veren en een betere aanhechtingsplaats voor de spieren van de vleugels. De overeenkomst is dat beide konden vliegen, tanden en klauwtjes hadden.
Homo Habilis, Homo Ergaster, Homo Heidelbergensis, Homo Neanderthalensis, Homo Erectus en Homo Sapiens.
Het is een heel erg versimpelde versie van de stamboom die nu als de meest waarschijnlijke wordt bestempeld.
Van de sessiele filterfeeders met waterstroom door de ciliën heb ik de poliep uitgekozen. Van de mobiele filterfeeders met waterstroom door de ciliën heb ik de Axolotl gekozen, van de mobiele filterfeeders met een musculaire pomp heb ik de prik gekozen en voor de kaakvorming met gepaarde ledematen heb ik de haai gekozen.
Mensapen: chimpansee
Apen van de Nieuwe wereld: doodshoofdaap
Apen van de Oude wereld: mantelbaviaan
Halfapen hebben klauwen en minder ver ontwikkelde voeten. Echte apen hebben goed ontwikkelde handen en voeten die bijna hetzelfde zijn. Ze hebben nagels, soms klauwen. Mensapen hebben goed ontwikkelde handen en voeten met nagels, met een duidelijk tegenover staande duim, maar de voeten zijn bij die ontwikkeling achtergebleven.
Van de mensapen zijn er drie opgesteld: gorilla, orang-oetan en chimpansee.
Een heel klein beetje de chimpansee, maar de neus klopt voor geen meter.