VRAAG 1
Welke van de onderstaande begrippen is gedefinieerd als 'de kans dat we de nulhypothese niet verwerpen terwijl de alternatieve hypothese waar is':
ANTWOORD
het onderscheidingsvermogen
1 - het onderscheidingsvermogen
de onbetrouwbaarheid
1 - de onbetrouwbaarheid
VRAAG 2
Als men bij een bepaalde toets het kritieke gebied vergroot, wat gebeurt er dan met de onbetrouwbaarheid en het onderscheidingsvermogen?
ANTWOORD
De onbetrouwbaarheid wordt groter en de het onderscheidingsvermogen wordt groter.
De onbetrouwbaarheid wordt groter en de het onderscheidingsvermogen wordt kleiner.
De onbetrouwbaarheid wordt kleiner en de het onderscheidingsvermogen wordt groter.
De onbetrouwbaarheid wordt kleiner en de het onderscheidingsvermogen wordt kleiner.
VRAAG 3
Iemand toetst de zuiverheid van een muntstuk door er 7 maal mee te werpen. Hij neemt zich voor, het muntstuk als onzuiver te beschouwen als hij 7 keer munt of 7 keer kruis gooit.
Hoe groot is de kans dat hij het munststuk als onzuiver zal beschouwen, als de munt in werkelijkheid zuiver is?
ANTWOORD
De kans is 0, want als de munt zuiver is zal er nooit 7 keer kruis of 7 keer munt mee gegooid kunnen worden.
De kans is 0.0078 (=1/2^7)
De kans is 0.0156 ( = 2 x 1/2^7)< /STRONG >
De kans is 0.9844
VRAAG 4
We kijken nogmaals naar het vorige probleem. Iemand toetst de zuiverheid van een muntstuk door er 7 maal mee te werpen. Hij neemt zich voor, het muntstuk als onzuiver te beschouwen als hij 7 keer munt of 7 keer kruis gooit.
Kunt u iets zeggen over de kans dat hij het munststuk als onzuiver zal beschouwen, als de munt in werkelijkheid onzuiver is?
ANTWOORD
De kans is 1, want als je 7 keer gooit kun je niet precies 50% kruis gooien.
Je kunt niet precies zeggen hoe groot die kans is.
De kans is 0.0156.
De kans is 0.9844.
VRAAG 5
In een laboratorium worden veel proeven gedaan met muizen. Van een bepaalde stam muizen is bekend dat het gewicht van een muis bij een leeftijd van 60 dagen gelijk is aan 72 gram. In een experiment wordt gekeken of een nieuw ontwikkeld stofje de groei van muizen bevorderd. Twaalf muizen vanaf hun geboorte worden blootgesteld aan het stofje en na 60 dagen worden ze gewogen.
De resulaten zijn:
75.9 79.2 72.9 77.9 72.6 68.3 75.3 72.5 77.7 80.5 67.7 71.6

We willen weten of het stofje de groei bevordert. Dat gaan we uitzoeken via een t-toets.
Hoe luiden de nulhypothese en de alternatieve hypothese?

ANTWOORD
H0: het gemiddeld gewicht van behandelde muizen is gelijk aan 72 gram
H1: het gemiddeld gewicht van behandelde muizen is ongelijk aan 72 gram
H0: het gemiddeld gewicht van behandelde muizen is ongelijk aan 72 gram
H1: het gemiddeld gewicht van behandelde muizen is gelijk aan 72 gram
H0: het gemiddeld gewicht van behandelde muizen is groter dan 72 gram
H1: het gemiddeld gewicht van behandelde muizen is gelijk aan 72 gram
H0: het gemiddeld gewicht van behandelde muizen is gelijk aan 72 gram
H1: het gemiddeld gewicht van behandelde muizen is groter dan 72 gram

VRAAG 6
Vervolg van de vorige opgave. De resulaten waren:
75.9 79.2 72.9 77.9 72.6 68.3 75.3 72.5 77.7 80.5 67.7 71.6
Bereken de waarde van de toetsingsgrootheid bij de (een-steekproef) t-toets met H0: mu = 72.
ANTWOORD
0.570
1.976
18.1
62.72
VRAAG 7
Bij de vorige vraag moet u nog de kritiek waarde bepalen. Het ging daar om een eenzijdige toetsing, met 12 waarnemingen. Bepaal de kritiek waarde bij alpha = 5%(bijvoorbeeld via EXCEL, functie TINV, zie Statistiek en EXCEL). Wat is het antwoord?
ANTWOORD
2.201
1.796
2.593
VRAAG 8
Vervolg vorige vraag. We vonden een waarde van de toetsingsgrootheid 1.976 een een kritieke waarde 1.796
Hoe luidt de conclusie van de toets?
ANTWOORD
Het steekproefgemiddelde is significant groter dan 72.
Het steekproefgemiddelde wijkt niet significant af van 72.
Het populatiegemiddelde is significant groter dan 72.
Het populatiegemiddelde wijkt niet significant af van 72.