VRAAG 1
Twaalf proefpersonen nemen deel aan een experiment waarin het effect van een dieet op het cholesterolgehalte in het bloed wordt bestudeerd. In onderstaande tabel staan voor elk van de proefpersonen het cholesterolgehalte aan het begin en aan het eind van het experiment.


persoon 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
begin 201 231 221 260 228 237 326 235 240 267 284 201
eind 200 236 216 233 224 216 296 195 207 247 210 209


Welke toets kunt u hiervoor gebruiken?

ANTWOORD
Een gepaarde t-toets.
Een twee-steekproef t-toets.
Een een-steekproef t-toets.
Een variantie analyse, want je hebt twaalf steekproeven van elk twee elementen.
VRAAG 2
Bij de vorige opgaven moest een gepaarde t-toets worden uitgevoerd.
Het ging om 12 proefpersonen, bij wie het cholesterolgehalte aan het begin en aan het eind van een dieet werd bepaald. Wat is de kritieke waarde in dat geval (indien alpha = 0.05)? Ga uit van een tweezijdige toets.
ANTWOORD
2.228
2.201
2.179
2.074
VRAAG 3
Vervolg op de cholesterol-som.
Voer de toets uit, dat wil zeggen bereken de toetsingsgrootheid voor een gepaarde t-toets (met je rekenapparaat of met EXCEL). Wat komt eruit?


persoon 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
begin 201 231 221 260 228 237 326 235 240 267 284 201
eind 200 236 216 233 224 216 296 195 207 247 210 209

ANTWOORD
3.15
3.02
0.87
2.15
VRAAG 4
In een experiment worden verschillende typen kunstmest onderzocht. Van elk type worden gelijke hoeveelheden toegevoegd aan een aantal planten van gelijk gewicht. Na enkele weken worden de planten geoogst en de gewichten bepaald. De resultaten zijn verwerkt in onderstaande ANOVA tabel.

ANALYSIS OF VARIANCE

Source df   SS  MS   F   p
Between  3 24.9 8.3 3.952 0.036
Within 12 25.2 2.1
Total 15 50.1
Welke van de onderstaande beweringen is juist?
ANTWOORD
In het experiment werden 4 typen kunstmest onderzocht, en voor elk type zijn 4 planten gebruikt.
In het experiment werden 3 typen kunstmest onderzocht, en voor elk type zijn 5 planten gebruikt.
In het experiment werden 3 typen kunstmest onderzocht, en in totaal zijn 15 planten gebruikt.
In het experiment werden 4 typen kunstmest onderzocht, en in totaal zijn 16 planten gebruikt.
VRAAG 5
Vervolg van de vorige opgave.
Welke conclusie sluit het beste aan bij deze ANOVA-tabel.

ANALYSIS OF VARIANCE

Source df   SS  MS   F   p
Between  3 24.9 8.3 3.952 0.036
Within 12 25.2 2.1
Total 15 50.1

ANTWOORD
Kunstmest heeft een effect op plantengroei.
De 4 typen kunstmest hebben elk een verschillend effect op plantengroei.
Minstens één van de vier typen kunstmest heeft een afwijkend effect op plantengroei.
De 4 typen kunstmest hebben allemaal hetzelfde effect op plantengroei.
VRAAG 6
Een groep van 16 (aselect gekozen) muizen worden aselect in twee groepen verdeeld. De ene groep krijgt een geneesmiddel toegediend en de ander groep niet. Na verloop van tijd wordt bij alle muizen de hartslag bepaald (slagen per minuut)

zonder middel 171 189 213 195 203 199 211 187
met middel 215 191 213 214 225 197 231 210

Heeft het geneesmiddel invloed op de hartslag?
Welke toets sluit het beste aan bij de vraagstelling?
ANTWOORD
Een gepaarde t-toets
Een twee-steekproef t-toets
Een ANOVA, toegepast op acht steekproeven van twee elementen.
VRAAG 7
Vervolg van de vorige opgave. Het ging om een twee-steekproeven t-toets, toegepast op de data

zonder middel 171 189 213 195 203 199 211 187
met middel 215 191 213 214 225 197 231 210


Bereken de toetsingsgrootheid (met je rekenapparaat of met EXCEL). Wat is het resultaat?
ANTWOORD
2.37
2.93
0.352
1.96
VRAAG 8
Vervolg van de vorige vraag. (Het ging om twee steekproeven van 8 elementen).
Bepaal de kritieke waarde bij de t-toets (alpha = 5%).

ANTWOORD
2.365
2.131
2.145
1.960
VRAAG 9
In een experiment wordt gekeken naar het effect van geneesmiddelen op het bloedsuikergehalte bij ratten. De resultaten worden vergeleken met een ANOVA. In totaal worden 20 ratten gebruikt in het experiment, en vier geneesmiddelen worden getest. De totale kwadraten som (SST) is 136 en de ERROR-kwadratensom is 64.
Bereken de waarde van de F-toetsingsgrootheid.
ANTWOORD
1.25
6.00
0.167
2.125
VRAAG 10
Vervolg vorige opgave. De toetsingsgrootheis was 6.00 en de kritieke waarde van de toetsingsgrootheid is 3.24
Wat is de conclusie van de ANOVA?
ANTWOORD
De nulhypothese wordt verworpen, dus de geneesmiddelen hebben hetzelfde effect op het bloedsuikergehalte bij ratten.
De alternatieve hypothese wordt verworpen, dus de geneesmiddelen hebben niet hetzelfde effect op het bloedsuikergehalte bij ratten.
De nulhypothese wordt verworpen, dus de geneesmiddelen hebben geen effect op het bloedsuikergehalte bij ratten.
De nulhypothese wordt verworpen, dus de geneesmiddelen hebben niet hetzelfde effect op het bloedsuikergehalte bij ratten.