| VRAAG 1 |
Vrouwtjes van de fruitvlieg Ceratitis
capitata leggen eieren in bessen van planten. Omdat de larve zijn
volledige ontwikkeling in de bes moet volbrengen is het van belang
dat het vrouwtje geen bessen uitzoekt waarin al larven aanwezig
zijn. Om te onderzoeken of vrouwtjes in staat zijn te bepalen of een
bes al geïnfecteerd is wordt een experiment opgezet. Men neemt 50
ongeïnfecteerde bessen en 50 geïnfecteerde, en kijkt bij elke bes
afzonderlijk of een vrouwtje al dan niet eieren legt in de bes.
Met welke toets kunnen de gegevens geanalyseerd worden?
|
|
|
| VRAAG 2 |
Zelfs als vrouwtjes al kunnen waarnemen of
een bes al dan niet geïnfecteerd is, dan nog zal dit waarnemen niet
eenvoudig zijn. Mogelijk zal het vrouwtje dan ook enige tijd
twijfelen. Dit zou betekenen dat het langer duurt voordat een
vrouwtje een ei heeft gelegd in een reeds geïnfecteerde bes in
vergelijking met een niet geïnfecteerde bes. Om dit na te gaan meet
men de tijd die een vrouwtje nodig heeft om een ei te leggen in
geïnfecteerde en in ongeïnfecteerde bessen.
|
|
|
| VRAAG 3 |
Hoe luiden bij de vorige vraag de nul- en
alternatieve hypothese?
|
|
|
| VRAAG 4 |
Het lijkt erop dat vrouwtjes kunnen
waarnemen dat een bes al dan niet geïnfecteerd is. Een vervolgvraag
die werd gesteld was: heeft de grootte van de bes invloed op de
beslissing van een vrouwtje? De gedachte achter deze vraag is dat
voedselschaarste eerder zal optreden bij kleine dan bij grote
bessen, en dat vrouwtjes bij grote bessen minder kritisch hoeven te
zijn. Bij grote bessen komen dubbelinfecties daarom mogelijk meer
voor dan bij kleine bessen. Men verzamelt 100 geïnfecteerde bessen
in het veld, en deelt deze in in twee categorieën, klein en groot.
Bovendien kijkt men bij elke bes of deze al dan niet dubbel
geïnfecteerd is. Met welke toets kunnen de gegevens geanalyseerd
worden?
|
|
|
| VRAAG 5 |
Op 8 random gekozen locaties in een bos is
de lood-concentratie (mg/kg) bepaald; ook is op elke locatie de
vitaliteit van de bodemfauna bepaald, op een 20-punts-schaal (0 is
zeer laag, 20 is zeer hoog)
| Pb-concentratie |
17 |
19 |
8 |
12 |
13 |
7 |
14 |
11 |
| vitaliteit fauna |
8 |
4 |
17 |
12 |
16 |
15 |
11 |
13 | Welke biologische
onderzoeksvraag ligt hier voor de hand?
|
|
|
| VRAAG 6 |
Welke toets zou je kunnen gebruiken om de
vraagstelling uit het vorige experiment te toetsen.
|
|
|
| VRAAG 7 |
Bij een zekere keversoort (Ips pini) werd
op verschillende tijden in het jaar gekeken of vrouwtjes
levensvatbare eieren leggen. De volgende gegevens werden hierbij
verzameld [n.a.v. Behav. Ecol. 8, 318--325 (1997)]. In de eerste
kolom staat het totaal aantal vrouwtjes per seizoen en in de tweede
kolom het percentage vrouwtjes dat levensvatbare eitjes heeft
gelegd. De seizoenen zijn respectievelijk lente, voorzomer en
hoogzomer.
| lente |
16 |
37.5 |
| voorzomer |
24 |
50.0 |
| hoogzomer |
68 |
61.8 | Welke toets acht u het meest
geschikt om te toetsen of het seizoen invloed heeft op het leggen
van levensvatbare eieren?
|
|
|
| VRAAG 8 |
Vervolg van de vorige opgave Hoe luidt
de conclusie van de ch-kwadraat toets?
In de eerste kolom
staat het totaal aantal vrouwtjes per seizoen en in de tweede kolom
het percentage vrouwtjes dat levensvatbare eitjes heeft gelegd. De
seizoenen zijn respectievelijk lente, voorzomer en hoogzomer.
| lente |
16 |
37.5 |
| voorzomer |
24 |
50.0 |
| hoogzomer |
68 |
61.8 |
|
|
|
| VRAAG 9 |
Bij een bepaalde konijnensoort A hebben
volwassen vrouwtjes een lengte van 25 cm met een standaarddeviatie
van 3 cm. Van een andere soort B willen we weten of de vrouwtjes
even lang zijn. Stel dat de standaarddeviatie even groot is, hoeveel
dieren moeten we dan minstens in onze steekproef nemen om een
'detectable effectsize' D te vinden van 2 cm?
|
|
|
| VRAAG 10 |
Vervolg van de vorige vraag. Stel dat we
willen weten of de mannetjes van de twee soorten evenlang zijn. Dat
onderzoeken we middels een twee-steekproef t-toets. We nemen aan dat
de standaarddeviatie bij mannetjes van soort A eenzelfde
percentage is van het gemiddelde als bij de vrouwtjes van soort A,
en dat de standaarddeviatie van mannetjes van soort B gelijk is aan
die van soort A. Hoeveel dieren moeten we nemen om een detectable
effect size te vinden van 5% (van het gemiddelde bij mannetjes van
soort A)?
|
|
|